File size: 19,514 Bytes
0ae36c4 | 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 154 155 156 157 158 159 160 161 162 163 164 165 166 167 168 169 170 171 172 173 174 175 176 177 178 179 180 181 182 183 184 185 186 187 188 189 190 191 192 193 194 195 196 197 198 199 200 201 | # IMO-selectietoets |
vrijdag 5 juni 2015

## Uitwerkingen
Opgave 1. Voor vierhoek $A B C D$ geldt $\angle A=\angle C=90^{\circ}$. Zij $E$ een punt binnen de vierhoek. Zij $M$ het midden van $B E$. Bewijs dat $\angle A D B=\angle E D C$ dan en slechts dan als $|M A|=|M C|$.
Oplossing. Zij $N$ het midden van $B D$. Wegens Thales gaat de cirkel met middellijn $B D$ ook door $A$ en $C$ en punt $N$ is hiervan het middelpunt. Verder geldt dat $M N \| D E$ : als $E$ niet op $B D$ ligt, is $M N$ een middenparallel in driehoek $B D E$, en als $E$ wel op $B D$ ligt, dan zijn $M N$ en $D E$ dezelfde lijn.
De bewering $|A M|=|C M|$ is equivalent met dat $M$ op de middelloodlijn van $A C$ ligt. Omdat die middelloodlijn door het middelpunt $N$ van de cirkel gaat, is dit dus equivalent met de bewering $M N \perp A C$. En dat is het geval dan en slechts dan als $D E \perp A C$. Noem $T$ het snijpunt van $D E$ en $A C$, dan geldt dus: $|A M|=|C M|$ dan en slechts dan als $\angle D T C=90^{\circ}$.
Met de hoekensom vinden we $\angle D T C=180^{\circ}-\angle T D C-\angle D C T=180^{\circ}-\angle E D C-\angle D C A$. Er geldt $\angle D C A=90^{\circ}-\angle A C B=90^{\circ}-\angle A D B$, waarbij we voor de laatste gelijkheid de koordenvierhoek $A B C D$ hebben gebruikt. Dus $\angle D T C=180^{\circ}-\angle E D C-\left(90^{\circ}-\angle A D B\right)=$ $90^{\circ}-\angle E D C+\angle A D B$. Nu volgt onmiddelijk dat $\angle A D B=\angle E D C$ dan en slechts dan als $\angle D T C=90^{\circ}$ en we hadden al gezien dat dat laatste equivalent was met $|A M|=|C M|$. Merk op dat dit bewijs geldt in iedere configuratie.
Opgave 2. Bepaal alle polynomen $P(x)$ met reële coëfficiënten waarvoor het polynoom
$$
Q(x)=(x+1) P(x-1)-(x-1) P(x)
$$
constant is.
Oplossing I. Stel dat $P(x)$ een constant polynoom is, zeg $P(x)=a$ met $a \in \mathbb{R}$. Dan is
$$
Q(x)=(x+1) a-(x-1) a=a x+a-a x+a=2 a,
$$
en dat is constant. Dus elk constant polynoom $P(x)$ voldoet.
We nemen nu verder aan dat $P$ niet constant is. We kunnen dan schrijven $P(x)=a_{n} x^{n}+$ $a_{n-1} x^{n-1}+\ldots+a_{1} x+a_{0}$ met $n \geq 1$ en $a_{n} \neq 0$. Bekijk de coëfficiënt van $x^{n}$ in $Q(x)$. Deze is de som van de coëfficiënten van $x^{n}$ in $x P(x-1), P(x-1),-x P(x)$ en $P(x)$. In de eerste is deze coëfficiënt gelijk aan $a_{n-1}-n a_{n}$, in de tweede aan $a_{n}$, in de derde aan $-a_{n-1}$ en in de vierde aan $a_{n}$. Samen is dat
$$
a_{n-1}-n a_{n}+a_{n}-a_{n-1}+a_{n}=(2-n) a_{n} .
$$
Maar in $Q(x)$ moet deze coëfficiënt gelijk zijn aan 0 . Omdat $a_{n} \neq 0$, volgt hieruit $n=2$. Dus $P(x)=a_{2} x^{2}+a_{1} x+a_{0}$ met $a_{2} \neq 0$.
Bekijk nu de constante coëfficiënt van $Q(x)$. Deze is de som van de constante coëfficiënten van $x P(x-1), P(x-1),-x P(x)$ en $P(x)$. Dit zijn achtereenvolgens $0, a_{2}-a_{1}+a_{0}, 0$ en $a_{0}$. Samen is dat $a_{2}-a_{1}+2 a_{0}$. Anderzijds kunnen we $Q(1)$ uitrekenen:
$$
Q(1)=2 P(0)-0=2 a_{0}
$$
Omdat $Q$ constant is, is $Q(1)$ gelijk aan de constante coëfficiënt van $Q$, dus $2 a_{0}=a_{2}-a_{1}+$ $2 a_{0}$. We zien dat $a_{2}=a_{1}$. Dus $P(x)$ is van de vorm $P(x)=b x^{2}+b x+a=b x(x+1)+a$ met $a, b \in \mathbb{R}$ en $b \neq 0$. Om te kijken of alle polynomen van deze vorm voldoen, vullen we dit in:
$$
\begin{aligned}
Q(x) & =(x+1)(b(x-1) x+a)-(x-1)(b x(x+1)+a) \\
& =(x-1) x(x+1) b+(x+1) a-(x-1) x(x+1) b-(x-1) a \\
& =2 a
\end{aligned}
$$
Dat is inderdaad constant, dus alle polynomen van deze vorm voldoen. In feite is elk constant polynoom ook van deze vorm, maar dan met $b=0$. We concluderen dat de oplossingen zijn: alle polynomen van de vorm $P(x)=b x^{2}+b x+a$ met $a, b \in \mathbb{R}$.
Oplossing II. Er geldt
$$
Q(1)=2 P(0)-0=2 P(0)
$$
en
$$
Q(-1)=0--2 P(-1)=2 P(-1)
$$
Omdat $Q$ constant is, volgt hieruit $P(0)=P(-1)$. Schrijf $P(0)=c$ en bekijk het polynoom $P(x)-c$. Dit polynoom heeft nulpunten bij $x=0$ en $x=-1$, dus
$$
P(x)-c=x(x+1) R(x)
$$
voor een zeker polynoom $R(x)$ met reële coëfficiënten. Dus $P(x)=x(x+1) R(x)+c$ en dit vullen we in:
$$
\begin{aligned}
Q(x) & =(x+1)((x-1) x R(x-1)+c)-(x-1)(x(x+1) R(x)+c) \\
& =(x-1) x(x+1) R(x-1)+(x+1) c-(x-1) x(x+1) R(x)-(x-1) c \\
& =(x-1) x(x+1)(R(x-1)-R(x))+2 c
\end{aligned}
$$
Dit moet constant zijn, dus $R(x-1)-R(x)$ moet het nulpolynoom zijn. Dus $R(x-1)=$ $R(x)$ voor alle $x$. In het bijzonder geldt $R(0)=R(1)=R(2)=\ldots$, dus $R$ neemt dezelfde waarde aan op oneindig veel punten. Dat betekent dat $R$ gelijk moet zijn aan een constant polynoom, zeg $R(x)=d$. Dan geldt
$$
P(x)=x(x+1) d+c=d x^{2}+d x+c .
$$
Net als in de eerste oplossing controleren we dat alle polynomen van deze vorm, met $c, d \in \mathbb{R}$, voldoen.
Oplossing III. We noemen $p=P(1)$ en $q$ de constante waarde die $Q(x)$ aanneemt. We bewijzen met inductie naar $m$ dat $P(m)=\frac{1}{2} m(m+1) p-\left(\frac{1}{2} m(m+1)-1\right) \cdot \frac{q}{2}$ voor alle gehele $m \geq 1$.
Voor $m=1$ staat er $P(1)=\frac{1}{2} \cdot 1 \cdot 2 \cdot p-\left(\frac{1}{2} \cdot 1 \cdot 2-1\right) \cdot \frac{q}{2}=p-0=P(1)$, dus dat klopt. Zij nu $k \geq 1$ en neem aan dat we de claim bewezen hebben voor $m=k$. Uit de gegeven vergelijking volgt voor $x \neq 1$ :
$$
P(x)=\frac{(x+1) P(x-1)-q}{x-1} .
$$
Vul nu $x=k+1$ in (merk op dat $x \neq 1$, want $k \geq 1$ ):
$$
\begin{aligned}
P(k+1) & =\frac{(k+2) P(k)-q}{k} \\
& =\frac{(k+2) \cdot\left(\frac{1}{2} k(k+1) p-\left(\frac{1}{2} k(k+1)-1\right) \cdot \frac{q}{2}\right)-q}{k} \\
& =(k+2) \cdot\left(\frac{1}{2}(k+1) p-\left(\frac{1}{2}(k+1)-\frac{1}{k}\right) \cdot \frac{q}{2}\right)-\frac{q}{k} \\
& =\frac{1}{2}(k+1)(k+2) p-\frac{1}{2}(k+1)(k+2) \cdot \frac{q}{2}+\frac{k+2}{k} \cdot \frac{q}{2}-\frac{q}{k} \\
& =\frac{1}{2}(k+1)(k+2) p-\frac{1}{2}(k+1)(k+2) \cdot \frac{q}{2}+\frac{q}{2}+\frac{2}{k} \cdot \frac{q}{2}-\frac{q}{k} \\
& =\frac{1}{2}(k+1)(k+2) p-\left(\frac{1}{2}(k+1)(k+2)-1\right) \cdot \frac{q}{2} .
\end{aligned}
$$
Dit voltooit de inductiestap.
Dus $P(x)$ valt op oneindig veel punten (namelijk alle positieve gehele getallen) samen met het polynoom $\frac{1}{2} x(x+1) p-\left(\frac{1}{2} x(x+1)-1\right) \cdot \frac{q}{2}$. Daarom moet hij gelijk zijn aan dit polynoom. Als we dit herschrijven tot de standaardnotatie, krijgen we
$$
P(x)=\left(\frac{1}{2} p-\frac{1}{4} q\right) \cdot x^{2}+\left(\frac{1}{2} p-\frac{1}{4} q\right) \cdot x+\frac{q}{2} .
$$
Dit is van de vorm $P(x)=b x^{2}+b x+a$ met $a$ en $b$ constanten in $\mathbb{R}$. Net als in de eerste oplossing controleren we dat alle polynomen van deze vorm voldoen.
Opgave 3. Zij $n$ een positief geheel getal. We bekijken rijtjes getallen $a_{0}, a_{1}, \ldots, a_{k}$ en $b_{0}, b_{1}, \ldots, b_{k}$ die voldoen aan $a_{0}=b_{0}=1$ en $a_{k}=b_{k}=n$ en waarbij voor elke $i$ met $1 \leq i \leq k$ geldt dat $\left(a_{i}, b_{i}\right)$ gelijk is aan ofwel $\left(1+a_{i-1}, b_{i-1}\right)$ ofwel $\left(a_{i-1}, 1+b_{i-1}\right)$. Definieer voor $1 \leq i \leq k$ het getal
$$
c_{i}= \begin{cases}a_{i} & \text { als } a_{i}=a_{i-1} \\ b_{i} & \text { als } b_{i}=b_{i-1}\end{cases}
$$
Bewijs dat $c_{1}+c_{2}+\cdots+c_{k}=n^{2}-1$.
Oplossing I. We bewijzen met inductie naar $j$ dat $c_{1}+\ldots+c_{j}=a_{j} b_{j}-1$. Voor $j=1$ staat hier $c_{1}=a_{1} b_{1}-1$ en dat is waar aangezien $\left(a_{1}, b_{1}\right) \in\{(1,2),(2,1)\}$. Stel nu dat $c_{1}+\ldots+c_{i-1}=a_{i-1} b_{i-1}-1$. Neem zonder verlies van algemeenheid aan dat $\left(a_{i}, b_{i}\right)=$ $\left(a_{i-1}, 1+b_{i-1}\right)$, zodat $a_{i}=a_{i-1}$ en dus $c_{i}=a_{i-1}$. Er geldt nu
$$
\left(c_{1}+\ldots+c_{i-1}\right)+c_{i}=\left(a_{i-1} b_{i-1}-1\right)+a_{i-1}=a_{i-1}\left(b_{i-1}+1\right)-1=a_{i} b_{i}-1
$$
wat de inductie voltooit. Voor $j=k$ zien we nu dat $c_{1}+\ldots+c_{k}=a_{k} b_{k}-1=n^{2}-1$.
Oplossing II. We definiëren een rijtje van $k$ letters: de $i$-de letter in het rijtje is gelijk aan $A$ als $a_{i}=1+a_{i-1}$ en gelijk aan $B$ als $b_{i}=1+b_{i-1}$. Omdat de rijtjes $a_{i}$ en $b_{i}$ beide van 1 naar $n$ gaan, moet er $n-1$ keer een $A$ staan en $n-1$ keer een $B$. Als voor zekere $i$ de $i$-de letter gelijk is aan $A$, dan is $c_{i}=b_{i}$ en dat is gelijk aan 1 plus het aantal letters $B$ dat eerder in het rijtje staat (want $b_{0}=1$ en voor elke $B$ is $b_{j}$ met 1 omhoog gegaan en bij elke $A$ is $b_{j}$ niet veranderd). En andersom geldt dat als de $i$-de letter een $B$ is, dan $c_{i}$ gelijk is aan 1 plus het aantal letters $A$ dat eerder in het rijtje staat.
Bekijk nu een oude situatie met de $i$-de letter gelijk aan $A$ en de $i+1$-ste letter gelijk aan $B$ en een nieuwe situatie waarin dit precies andersom is. De $c_{j}$ die hoort bij de letter $A$ is in de nieuwe situatie 1 groter dan in de oude, omdat er een keer $B$ extra voorafgaat aan de $A$. De $c_{j}$ die hoort bij de letter $B$ is juist 1 kleiner geworden. De rest van de $c_{j}$ 's is ongewijzigd, dus de som van de $c_{j}$ 's is ook ongewijzigd. Een verwisseling van $A B$ naar $B A$ heeft dus geen invloed op de som van de $c_{j}$ 's. We kunnen nu net zo lang $A B$ vervangen door $B A$ tot het letterrijtje bestaat uit eerst $n-1$ keer $B$ en daarna $n-1$ keer $A$. De bijbehorende $c_{j}$ 's zijn dan achtereenvolgens $1,1, \ldots, 1, n, n, \ldots, n$, waarbij de 1 precies $n-1$ keer voorkomt en de $n$ ook. De som hiervan is $(n-1)(n+1)=n^{2}-1$ en dat geldt dus ook voor de som van $c_{j}$ 's in het oorspronkelijke rijtje.
Oplossing III. We definiëren een rijtje van $k$ letters: de $i$-de letter in het rijtje is gelijk aan $A$ als $a_{i}=1+a_{i-1}$ en gelijk aan $B$ als $b_{i}=1+b_{i-1}$. Verder definiëren we voor $1 \leq i \leq k$
$$
d_{i}= \begin{cases}b_{i} & \text { als } a_{i}=a_{i-1} \\ a_{i} & \text { als } b_{i}=b_{i-1}\end{cases}
$$
Als voor zekere $i$ de $i$-de letter gelijk is aan $A$, dan is $d_{i}=a_{i}$ en dat is gelijk aan 1 plus het aantal letters $A$ dat tot en met deze plek in het rijtje staat (want $a_{0}=1$ en voor elke $A$ is $a_{j}$ met 1 omhoog gegaan en bij elke $B$ is $a_{j}$ niet veranderd). De $d_{i}$ die corresponderen met de plekken waar een $A$ staat, zijn dus precies de getallen 2 tot en met $n$. De $d_{i}$ die corresponderen met de plekken waar een $B$ staat, zijn ook precies de getallen 2 tot en met $n$. Dus de som van alle $d_{i}$ is gelijk aan $(n-1)(n+2)=n^{2}+n-2$.
Voor elke $i$ geldt $c_{i}+d_{i}=a_{i}+b_{i}=1+\left(a_{i-1}+b_{i-1}\right)$ en $c_{1}+d_{1}=1+2=3$, dus met een simpele inductie $c_{i}+d_{i}=i+2$. De totale som van alle $c_{i}$ en $d_{i}$ bij elkaar is dus $3+4+\ldots+2 n=\frac{1}{2}(2 n+3)(2 n-2)=(2 n+3)(n-1)=2 n^{2}+n-3$. We concluderen dat de som van de $c_{i}$ gelijk is aan $\left(2 n^{2}+n-3\right)-\left(n^{2}+n-2\right)=n^{2}-1$.
Opgave 4. Laat cirkels $\Gamma_{1}$ en $\Gamma_{2}$, met middelpunten respectievelijk $O_{1}$ en $O_{2}$, elkaar snijden in twee verschillende punten $A$ en $B$. De lijn $O_{1} A$ snijdt $\Gamma_{2}$ nogmaals in $C$ en de lijn $O_{2} A$ snijdt $\Gamma_{1}$ nogmaals in $D$. De lijn door $B$ evenwijdig met $A D$ snijdt $\Gamma_{1}$ nogmaals in $E$. Veronderstel dat $O_{1} A$ evenwijdig is met $D E$. Bewijs dat $C D$ loodrecht op $O_{2} C$ staat.
Oplossing I. In alle oplossingen bekijken we de configuratie waarin $A, B, E$ en $D$ in die volgorde op een cirkel liggen, $O_{1}, A$ en $C$ in die volgorde op een lijn en $O_{2}, A$ en $D$ in die volgorde op een lijn. De andere configuraties gaan analoog.
Vanwege koordenvierhoek $A B E D$ geldt $\angle B E D=180^{\circ}-\angle D A B$. Verder geldt wegens de twee evenwijdigheden dat $\angle B E D=\angle D A O_{1}$ en omdat $\left|O_{1} A\right|=\left|O_{1} D\right|$ geldt $\angle D A O_{1}=$ $\angle A D O_{1}$. We concluderen dat $180^{\circ}-\angle D A B=\angle A D O_{1}$. Met U-hoeken volgt nu dat $D O_{1}$ en $A B$ evenwijdig zijn.
We hadden al gezien dat $\angle A D O_{1}=\angle D A O_{1}$. Vanwege overstaande hoeken en het feit dat $\left|O_{2} A\right|=\left|O_{2} C\right|$ geldt $\angle D A O_{1}=\angle O_{2} A C=\angle O_{2} C A$. Dus $\angle O_{2} D O_{1}=\angle A D O_{1}=$ $\angle O_{2} C A=\angle O_{2} C O_{1}$, wat betekent dat $O_{1} D C O_{2}$ een koordenvierhoek is.
De lijn $O_{1} O_{2}$ is de middelloodlijn van $A B$ en staat dus ook loodrecht op $D O_{1}$, omdat die evenwijdig aan $A B$ is. Dus $\angle O_{2} O_{1} D=90^{\circ}$. Omdat $O_{1} D C O_{2}$ een koordenvierhoek is, is nu ook $\angle O_{2} C D=90^{\circ}$.
Oplossing II. Noem $\alpha=\angle D E B$. Zij $S$ het snijpunt van $B E$ en $A C$, zodat $E S A D$ een parallellogram is. Dus is $\angle D A O_{1}=\angle D A S=\angle D E S=\angle D E B=\alpha$. Omdat driehoek $A O_{1} D$ gelijkbenig is met top $O_{1}$, geldt $\angle O_{1} A D=\angle D A O_{1}=\alpha$. Wegens overstaande hoeken en de gelijkbenigheid van $\triangle C O_{2} A$ geldt nu ook $\angle O_{2} C A=\angle C A O_{2}=\angle O_{1} A D=\alpha$. Wegens koordenvierhoek $B A D E$ geldt verder $\angle O_{2} A B=180^{\circ}-\angle D A B=\angle D E B=\alpha$, en vanwege de gelijkbenigheid van $\triangle A O_{2} B$ geldt ook $\angle O_{2} B A=\angle O_{2} A B=\alpha$. Nu zijn $\triangle A O_{2} B$ en $\triangle A O_{2} C$ twee driehoeken met twee hoeken gelijk aan $\alpha$ en een gemeenschappelijke zijde $A O_{2}$, dus ze zijn congruent (ZHH), waaruit volgt $|A B|=|A C|$.
Een koordenvierhoek met twee evenwijdige zijden is een gelijkbenig trapezium (stelling van Julian) dus $|D E|=|A B|$. Samen met de vorige gelijkheid krijgen we nu $|D E|=$ $|A C|$. Omdat $D E$ en $A C$ ook evenwijdig zijn, vinden we een parallellogram $A C D E$. Dit betekent dat $\angle D C A=\angle A E D$. Wegens de middelpunt-omtrekhoekstelling geldt $\angle A E D=\frac{1}{2} \angle A O_{1} D=90^{\circ}-\angle O_{1} A D=90^{\circ}-\alpha$. Dus $\angle D C A=90^{\circ}-\alpha . \mathrm{Nu}$ is $\angle D C O_{2}=\angle D C A+\angle O_{2} C A=90^{\circ}-\alpha+\alpha=90^{\circ}$, wat we moesten bewijzen.
Oplossing III. Zij $S$ het snijpunt van $B E$ en $A C$, zodat $E S A D$ een parallellogram is. Zij $T$ het snijpunt van $B E$ en $C O_{2}$. Er geldt $\angle C S T=\angle A S B=\angle D A S$ vanwege $B E \| A D$ en $\angle D A S=\angle O_{2} A C=\angle O_{2} C A=\angle T C S$ omdat $\left|O_{2} A\right|=\left|O_{2} C\right|$. Dus $\angle C S T=\angle T C S$, wat betekent dat $|T S|=|T C|$. Verder is nu $\angle B T C=\angle S T C=180^{\circ}-2 \angle O_{2} C A$. Daarnaast hadden we al gezien dat $\angle O_{2} C A=\angle O_{2} A C=\angle D A S$. Vanwege het parallellogram geldt $\angle D A S=\angle D E S=\angle D E B=180^{\circ}-\angle D A B=\angle O_{2} A B$. Dus $\angle O_{2} C A=\angle O_{2} A B$. Hiermee zien we dat $\angle B T C=180^{\circ}-2 \angle O_{2} C A=180^{\circ}-\angle O_{2} A C-\angle O_{2} A B=180^{\circ}-\angle B A C$.
Dus $B A C T$ is een koordenvierhoek, oftewel $T$ ligt op $\Gamma_{2}$. Wegens Thales vinden we nu $\angle T A C=90^{\circ}$. Maar $T S C$ is gelijkbenig en de lijn $T A$ is een hoogtelijn vanuit de top, dus ook een zwaartelijn. Dus $A$ is het midden van $S C$.
Een koordenvierhoek met twee evenwijdige zijden is een gelijkbenig trapezium (stelling van Julian) dus $|D E|=|A B|$. Vanwege het parallellogram is ook $|D E|=|S A|$, dus $|A B|=|S A|=|A C|$. Dus $A$ ligt op de middelloodlijn van $B C$. Die middelloodlijn gaat ook door het middelpunt van de cirkel waar $B C$ een koorde van is en is dus de lijn $O_{2} A$. Dus $D$ ligt ook op deze middelloodlijn, zodat $|D C|=|D B|$. In het bijzonder is nu zwaartelijn $D A$ in driehoek $B C D$ ook een bissectrice, dus $\angle C D B=2 \angle A D B$. Met de middelpuntsomtrekshoekstelling is ook $\angle A O_{1} B=2 \angle A D B$. Dus driehoeken $C D B$ en $A O_{1} B$ zijn gelijkbenig met dezelfde tophoek, waardoor ze gelijkvormig zijn. Dus $\angle O_{1} A B=$ $\angle D C B$. Omdat met de omtrekshoekstelling geldt $\angle B A T=\angle B C T$, geldt nu
$$
\angle D C O_{2}=\angle D C T=\angle D C B+\angle B C T=\angle O_{1} A B+\angle B A T=\angle O_{1} A T=90^{\circ} .
$$
Opgave 5. Voor een positief geheel getal $n$ definiëren we $D_{n}$ als het grootste getal dat een deler is van $a^{n}+(a+1)^{n}+(a+2)^{n}$ voor alle positieve gehele $a$.
a) Bewijs dat voor elke positieve gehele $n$ het getal $D_{n}$ van de vorm $3^{k}$ is met $k \geq 0$.
b) Bewijs dat er voor elke $k \geq 0$ een positieve gehele $n$ bestaat zodat $D_{n}=3^{k}$.
## Oplossing.
a) $\mathrm{Zij} p$ een priemgetal en stel dat $p$ een deler is van $D_{n}$. Dan is $p$ een deler van
$$
\left((a+1)^{n}+(a+2)^{n}+(a+3)^{n}\right)-\left(a^{n}+(a+1)^{n}+(a+2)^{n}\right)=(a+3)^{n}-a^{n}
$$
voor alle positieve gehele $a$. Kies nu $a=p$, dan $p \mid(p+3)^{n}-p^{n}$, oftewel $(p+3)^{n}-p^{n} \equiv$ $0 \bmod p$. Hier staat gewoon $3 \equiv 0 \bmod p$, dus $p=3$. We concluderen dat $D_{n}$ alleen priemfactoren 3 bevat en dus van de vorm $3^{k}$ is met $k \geq 0$.
b) Voor $k=0$ nemen we $n=2$. Er geldt $1^{2}+2^{2}+3^{2}=14$ en $2^{2}+3^{2}+4^{2}=29$ en die twee hebben geen enkele priemfactor gemeenschappelijk, dus $D_{2}=1$. Neem nu verder aan dat $k \geq 1$. We gaan bewijzen dat $D_{n}=3^{k}$ voor $n=3^{k-1}$.
Eerst laten we zien dat $1^{n}+2^{n}+3^{n}$ voor $n=3^{k-1}$ deelbaar is door $3^{k}$, maar niet door $3^{k+1}$. Voor $k=1$ is $n=1$ en geldt inderdaad dat $1+2+3=6$ deelbaar is door 3 , maar niet door $3^{2}$. Voor $k \geq 2$ geldt dat $n>k$ en dus dat $3^{n}$ deelbaar is door $3^{k+1}$. Het te bewijzen is dus equivalent aan: $1+2^{n}$ voor $n=3^{k-1}$ is deelbaar door $3^{k}$ maar niet door $3^{k+1}$. We bewijzen dit met inductie naar $k$. Voor $k=2$ is $n=3$ en geldt inderdaad dat $1+8=9$ deelbaar is door 9 , maar niet door 27 . Zij $m \geq 2$ en stel dat we dit hebben bewezen voor $k=m$. Neem $n=3^{m-1}$. We weten dat $1+2^{n}$ deelbaar is door $3^{m}$, maar niet door $3^{m+1}$. We willen laten zien dat $1+2^{3 n}$ deelbaar is door $3^{m+1}$, maar niet door $3^{m+2}$. Schrijf $1+2^{n}=3^{m} c$ met $3 \nmid c$. Dan is $2^{n}=3^{m} c-1$, dus
$$
1+2^{3 n}=1+\left(3^{m} c-1\right)^{3}=3^{3 m} c^{3}-3 \cdot 3^{2 m} c^{2}+3 \cdot 3^{m} c
$$
Modulo $3^{m+2}$ is dit congruent aan $3^{m+1} c$ en omdat $3 \nmid c$ volgt hieruit dat dit deelbaar is door $3^{m+1}$, maar niet door $3^{m+2}$, zoals we wilden bewijzen. Dit voltooit de inductie. Nu laten we zien dat voor $n=3^{k-1}$ geldt dat $(a+3)^{n}-a^{n}$ deelbaar is door $3^{k}$ voor alle positieve gehele $a$. We bewijzen dit weer met inductie naar $k$. Voor $k=1$ is $n=1$ en geldt inderdaad dat $(a+3)-a=3$ deelbaar is door 3 . Zij nu $m \geq 1$ en neem aan dat we dit bewezen hebben voor $k=m$. Neem $n=3^{m-1}$. Dan weten we dat $(a+3)^{n}-a^{n}$ deelbaar is door $3^{m}$, dus we kunnen schrijven $(a+3)^{n}=a^{n}+3^{m} c$ voor een zekere gehele $c$. Links en rechts de derde macht nemen geeft dan
$$
(a+3)^{3 n}=a^{3 n}+3 a^{2 n} \cdot 3^{m} c+3 a^{n} \cdot 3^{2 m} c^{2}+3^{3 m} c^{3},
$$
dus
$$
(a+3)^{3 n}-a^{3 n}=a^{2 n} \cdot 3^{m+1} c+a^{n} \cdot 3^{2 m+1} c^{2}+3^{3 m} c^{3} .
$$
Dit is deelbaar door $3^{m+1}$, wat de inductie voltooit.
We hebben nu voor $n=3^{k-1}$ bewezen dat $3^{k} \mid 1^{n}+2^{n}+3^{n}$ en $3^{k} \mid(a+3)^{n}-a^{n}$ voor alle positieve gehele $a$, waaruit met inductie naar $a$ direct volgt dat $3^{k} \mid a^{n}+$ $(a+1)^{n}+(a+2)^{n}$ voor alle $a$. Dus $3^{k} \mid D_{n}$. Omdat $3^{k+1} \nmid 1^{n}+2^{n}+3^{n}$ geldt ook $3^{k+1} \nmid D_{n}$. Dus $D_{n}=3^{k}$.
|