File size: 14,343 Bytes
63c5bce
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
151
152
153
154
155
156
157
158
159
160
161
162
163
164
165
166
167
168
169
170
171
172
173
174
175
176
177
178
179
180
181
182
183
184
185
186
187
188
189
190
191
192
193
194
195
196
## |MO-selectietoets |

woensdag 5 juni 2013

## Uitwerkingen

Opgave 1. Vind alle viertallen $(a, b, c, d)$ van reële getallen waarvoor geldt

$$
\begin{aligned}
& a b+c+d=3, \\
& b c+d+a=5, \\
& c d+a+b=2, \\
& d a+b+c=6 .
\end{aligned}
$$

Oplossing. De eerste twee vergelijkingen van elkaar aftrekken geeft

$$
2=5-3=(b c+d+a)-(a b+c+d)=b(c-a)+a-c=(b-1)(c-a) .
$$

De laatste twee vergelijkingen van elkaar aftrekken geeft

$$
4=6-2=(d a+b+c)-(c d+a+b)=d(a-c)+c-a=(1-d)(c-a)
$$

We zien dat $c-a$ niet gelijk aan 0 is (want dan zou het product van $c-a$ met iets anders 0 moeten zijn) en we kunnen dus concluderen dat $1-d=2(b-1)$, oftewel $3=2 b+d$.
Op dezelfde manier combineren we de tweede en derde vergelijking; dat levert $3=(c-$ $1)(b-d)$ op. En combineren van de eerste en vierde vergelijking geeft $3=(1-a)(b-d)$. Dus $c-1=1-a$, oftewel $a+c=2$.
Nu tellen we de eerste twee vergelijkingen bij elkaar op. Dat geeft
$8=3+5=a b+c+d+b c+d+a=b(a+c)+(a+c)+2 d=2 b+2+2 d=2+3+d=5+d$,
dus $d=3$. Vanwege $2 b+d=3$ volgt hieruit dat $b=0$. De eerste vergelijking wordt nu $0+c+3=3$, dus $c=0$. In de tweede vergelijking vinden we ten slotte $0+3+a=5$, dus $a=2$. We hebben nu gevonden dat de enige mogelijke oplossing is: $(a, b, c, d)=(2,0,0,3)$. Controleren laat zien dat dit viertal inderdaad aan alle vier de vergelijkingen voldoet.

Opgave 2. Vind alle gehele getallen $n$ waarvoor $\frac{4 n-2}{n+5}$ het kwadraat van een rationaal getal is. (Een rationaal getal is een getal in $\mathbb{Q}$.)

Oplossing. Stel dat $\frac{4 n-2}{n+5}$ het kwadraat van een rationaal getal is. Dan kunnen we het dus schrijven als $\frac{p^{2}}{q^{2}}$ met $p, q$ niet-negatieve gehele getallen, $q \neq 0$ en $\operatorname{ggd}(p, q)=1$. Vanwege de voorwaarde $\operatorname{ggd}(p, q)=1$, is $\frac{p^{2}}{q^{2}}$ de meest vereenvoudigde versie van deze breuk, dus er is een gehele $c \neq 0$ zodat $4 n-2=c p^{2}$ en $n+5=c q^{2}$. Nu is

$$
22=4(n+5)-(4 n-2)=4 c q^{2}-c p^{2}=c\left((2 q)^{2}-p^{2}\right)=c(2 q-p)(2 q+p)
$$

Dus $c$ is een deler van 22. Verder is 22 deelbaar door 2, dus de rechterkant is ook deelbaar door 2 . Als er een factor 2 in $2 q-p$ zit, zit er ook een factor 2 in $2 q+p$, want die twee factoren schelen $2 p$ en dat is even. En andersom, als $2 q+p$ deelbaar is door 2 , dan is $2 q-p$ dat ook. Maar 22 bevat maar één factor 2 , dus het kan niet dat $2 q-p$ en $2 q+p$ beide deelbaar zijn door 2 . We concluderen dat $2 q-p$ en $2 q+p$ juist oneven zijn en $c$ dus even is. Ten slotte geldt dat $p \geq 0$ en $q \geq 1$, dus $2 q+p \geq 2$, dus de factor 11 uit 22 moet juist in $2 q+p$ zitten. We concluderen dat er slechts twee mogelijkheden zijn:

- $c=2,2 q+p=11,2 q-p=1$;
- $c=-2,2 q+p=11,2 q-p=-1$.

In het eerste geval vinden we $2 p=11-1=10$, dus $p=5$ en $q=3$. Dit geeft $4 n-2=50$, dus $n=13$. Controleren: $\frac{4 n-2}{n+5}=\frac{50}{18}=\frac{25}{9}=\frac{5^{2}}{3^{2}}$, dus $n=13$ voldoet inderdaad. In het tweede geval vinden we $2 p=11--1=12$, dus $p=6$, maar dan kan $q$ niet meer geheel zijn, dus dit geval valt af. We concluderen dat er precies één oplossing is en dat is $n=13$.

Opgave 3. Gegeven is een driehoek $A B C . \mathrm{Zij} \Gamma_{1}$ de cirkel door $B$ die raakt aan zijde $A C$ in $A$. Zij $\Gamma_{2}$ de cirkel door $C$ die raakt aan zijde $A B$ in $A$. Het tweede snijpunt van $\Gamma_{1}$ en $\Gamma_{2}$ noemen we $D$. De lijn $A D$ snijdt de omgeschreven cirkel van $\triangle A B C$ nog een keer in $E$. Bewijs dat $D$ het midden is van $A E$.

Oplossing I. We bekijken de configuratie waar $D$ binnen $\triangle A B C$ ligt. De andere configuratie gaat analoog. Vanwege de raaklijnomtrekshoekstelling in $\Gamma_{1}$ geldt $\angle D A C=\angle D B A$. Vanwege de raaklijnomtrekshoekstelling in $\Gamma_{2}$ geldt $\angle D A B=\angle D C A$. Er geldt dus $\triangle A B D \sim \triangle C A D$ (hh), waaruit volgt

$$
\frac{|B D|}{|A D|}=\frac{|A D|}{|C D|}, \quad \text { oftewel } \quad|A D|^{2}=|B D| \cdot|C D|
$$

Volgens de omtrekshoekstelling geldt $\angle E C B=\angle E A B=\angle D A B=\angle D C A$. Dus $\angle E C D=$ $\angle E C B+\angle B C D=\angle D C A+\angle B C D=\angle B C A$. Verder is $\angle D E C=\angle A E C=\angle A B C$ vanwege de omtrekshoekstelling. Dus $\triangle C D E \sim \triangle C A B$ (hh). Analoog zien we dat $\triangle B D E \sim \triangle B A C$. We concluderen dat $\triangle C D E \sim \triangle E D B$, waaruit volgt

$$
\frac{|C D|}{|D E|}=\frac{|E D|}{|D B|}, \quad \text { oftewel } \quad|D E|^{2}=|B D| \cdot|C D|
$$

Samen met (1) geeft dit $|D E|^{2}=|A D|^{2}$, dus $|D E|=|A D|$, wat betekent dat $D$ het midden $\operatorname{van} A E$ is.

Oplossing II. We bekijken de configuratie waar $D$ binnen $\triangle A B C$ ligt. De andere configuratie gaat analoog. Vanwege de raaklijnomtrekshoekstelling in $\Gamma_{2}$ geldt $\angle D A B=\angle D C A$. De buitenhoekstelling geeft nu dat

$$
\angle C D E=\angle D C A+\angle C A D=\angle D A B+\angle C A D=\angle C A B .
$$

Noem $B^{\prime}$ het tweede snijpunt van $B D$ met de omgeschreven cirkel van $\triangle A B C$. Vanwege de raaklijnomtrekshoekstelling in $\Gamma_{1}$ geldt $\angle C A D=\angle A B D=\angle A B B^{\prime}=\angle A C B^{\prime}$, waarbij de laatste $=$ een toepassing van de omtrekshoekstelling is. Dus

$$
\angle D C B^{\prime}=\angle D C A+\angle A C B^{\prime}=\angle D A B+\angle C A D=\angle C A B .
$$

Verder is $\angle C B^{\prime} D=\angle C B^{\prime} B=\angle C A B$ vanwege de omtrekshoekstelling. We zien dat $\triangle D B^{\prime} C$ gelijkbenig is met tophoek $D$. Ook geeft (2) samen met (3) dat $\angle C D E=\angle D C B^{\prime}$, waaruit volgt $C B^{\prime} \| D E$, oftewel $C B^{\prime} \| A E$. Volgens de stelling van Julian geeft dit $\left|A B^{\prime}\right|=|C E|$. We hebben nu een gelijkbenig trapezium $A E C B^{\prime}$. De middelloodlijnen van de evenwijdige zijden $A E$ en $C B^{\prime}$ hiervan vallen samen. De middelloodlijn van $C B^{\prime}$ gaat door $D$ omdat $\triangle D B^{\prime} C$ gelijkbenig is. Dus de middelloodlijn van $A E$ gaat ook door $D$, wat betekent dat $D$ het midden van $A E$ is.

Oplossing III. Vanwege de raaklijnomtrekshoekstelling in $\Gamma_{1}$ geldt $\angle D A C=\angle D B A$. Vanwege de raaklijnomtrekshoekstelling in $\Gamma_{2}$ geldt $\angle D A B=\angle D C A$. Er geldt dus $\triangle A B D \sim \triangle C A D(\mathrm{hh})$. Noem nu $M$ het midden van $A B$ en $N$ het midden van $A C$. Dan is $D M$ een zwaartelijn in $\triangle D B A$ en is $D N$ de corresponderende zwaartelijn in $\triangle D A C$. Daardoor weten we dat $\angle B D M=\angle A D N$. Dus

$$
\begin{array}{rlr}
\angle M D N & =\angle M D A+\angle A D N & \text { (opsplitsen hoek) } \\
& =\angle M D A+\angle B D M & \text { (gelijkheid van hiervoor) } \\
& =\angle B D A & \text { (optellen hoeken) } \\
& =180^{\circ}-\angle A B D-\angle B A D & \text { (hoekensom } \triangle A B D) \\
& =180^{\circ}-\angle C A D-\angle B A D & \text { (gelijkvormigheid } \triangle A B D \sim \triangle C A D) \\
& =180^{\circ}-\angle C A B & \text { (optellen hoeken) } \\
& =180^{\circ}-\angle N A M & \text { (zelfde hoek.) }
\end{array}
$$

We concluderen dat $M D N A$ een koordenvierhoek is. Dus $\angle M D A=\angle M N A$. Omdat $M N$ een middenparallel in $\triangle A B C$ is, is $\angle M N A=\angle B C A$ en dat is wegens de omtrekshoekstelling weer gelijk aan $\angle B E A$. Al met al hebben we $\angle M D A=\angle B E A$, wat betekent dat $M D$ evenwijdig is met $B E$. Aangezien $M$ het midden van $A B$ is, moet nu $D$ ook het midden van $A E$ zijn.

Opgave 4. Zij $n \geq 3$ een geheel getal en bekijk een $n \times n$-bord, opgedeeld in $n^{2}$ eenheidsvierkantjes. We hebben voor elke $m \geq 1$ willekeurig veel $1 \times m$-rechthoeken (type I) en willekeurig veel $m \times 1$-rechthoeken (type II) beschikbaar. We bedekken het bord met $N$ van deze rechthoeken, die elkaar niet overlappen en niet uitsteken buiten het bord. Het totaal aantal rechthoeken van type I op het bord moet hierbij gelijk zijn aan het totaal aantal rechthoeken van type II op het bord. (Merk op dat een $1 \times 1$-rechthoek zowel van type I als van type II is.) Wat is de kleinste waarde van $N$ waarvoor dit mogelijk is?

Oplossing. We bewijzen dat de minimale waarde $N=2 n-1$ is. We construeren eerst een voorbeeld door middel van inductie.
Inductiebasis. Voor $n=3$ is $N=5$ mogelijk, door in het middelste veld een $1 \times 1$-rechthoek te leggen en de overige velden te bedekken met vier $2 \times 1$ - en $1 \times 2$-rechthoeken. Er zijn dan drie rechthoeken met hoogte 1 (type I) en drie rechthoeken met breedte 1 (type II), waarbij de $1 \times 1$-rechthoek twee keer geteld wordt.
Inductiestap. Zij $k \geq 3$ en neem aan dat we een $k \times k$-bord kunnen bedekken met $2 k-1$ rechthoeken zodat aan alle voorwaarden is voldaan. Bekijk een $(k+1) \times(k+1)$-bord en bedek het $k \times k$-deelvierkant rechtsonder volgens de inductiehypothese. Bedek vervolgens de linkerkolom met een rechthoek met breedte 1 en hoogte $k+1$ en vervolgens de overgebleven ruimte met een rechthoek met hoogte 1 en breedte $k$. We hebben nu één rechthoek met breedte 1 en één rechthoek met hoogte 1 meer gebruikt, dus aan de voorwaarde is voldaan en we hebben $2 k-1+2=2(k+1)-1$ rechthoeken gebruikt. Hiermee hebben we een voorbeeld voor $n=k+1$ geconstrueerd.
Hiermee is bewezen dat het mogelijk is om het bord te bedekken met $N=2 n-1$ rechthoeken. We willen nu nog bewijzen dat het niet met minder rechthoeken kan. Zij $k$ het aantal rechthoeken met breedte 1 en hoogte groter dan 1 . Dan is ook het aantal rechthoeken met hoogte 1 en breedte groter dan 1 , gelijk aan $k$. Zij verder $l$ het aantal rechthoeken van $1 \times 1$. Er geldt dus $N=2 k+l$. Als $k \geq n$, geldt $N \geq 2 n$, dus in dit geval is er niets te bewijzen. We nemen dus aan dat $k<n$ en we gaan bewijzen dat dan $l \geq 2 n-2 k-1$, zodat $N \geq 2 n-1$.
Elke rechthoek met breedte 1 kan alleen velden in één kolom bedekken. Er zijn dus $n-k$ kolommen waarin geen enkel veld wordt bedekt door een rechthoek met breedte 1 en hoogte groter dan 1. Zo ook zijn er $n-k$ rijen waarin geen enkel veld wordt bedekt door een rechthoek met hoogte 1 en breedte groter dan 1. Bekijk de $(n-k)^{2}$ velden die in zowel zo'n rij als zo'n kolom liggen. Deze velden moeten bedekt worden door $1 \times 1$-rechthoeken. Dus $l \geq(n-k)^{2}$.
Er geldt $(k-n+1)^{2} \geq 0$, dus $k^{2}+n^{2}+1-2 k n+2 k-2 n \geq 0$, dus $n^{2}-2 k n+k^{2} \geq 2 n-2 k-1$. We concluderen dat $l \geq(n-k)^{2} \geq 2 n-2 k-1$ en dat is precies wat we wilden bewijzen. Dus in alle gevallen is $N \geq 2 n-1$ en dat bewijst dat de minimale waarde van $N$ gelijk is aan $2 n-1$.

Opgave 5. Laat $a, b$ en $c$ positieve reële getallen zijn met $a b c=1$. Bewijs dat

$$
a+b+c \geq \sqrt{\frac{(a+2)(b+2)(c+2)}{3}}
$$

Oplossing I. Laat $x, y$ en $z$ positieve reële getallen zijn zodat $x^{3}=a, y^{3}=b$ en $z^{3}=c$. Dan geldt $x^{3} y^{3} z^{3}=1$, dus ook $x y z=1$. We kunnen nu $a+2$ schrijven als $x^{3}+2 x y z=x\left(x^{2}+2 y z\right)$, en analoog kunnen we $b+2$ en $c+2$ herschrijven, waarmee we krijgen
$(a+2)(b+2)(c+2)=x y z\left(x^{2}+2 y z\right)\left(y^{2}+2 z x\right)\left(z^{2}+2 x y\right)=\left(x^{2}+2 y z\right)\left(y^{2}+2 z x\right)\left(z^{2}+2 x y\right)$.
Nu passen we rekenkundig-meetkundig toe op de positieve termen $x^{2}+2 y z, y^{2}+2 z x$ en $z^{2}+2 x y:$
$\left(x^{2}+2 y z\right)\left(y^{2}+2 z x\right)\left(z^{2}+2 x y\right) \leq\left(\frac{x^{2}+2 y z+y^{2}+2 z x+z^{2}+2 x y}{3}\right)^{3}=\left(\frac{(x+y+z)^{2}}{3}\right)^{3}$.
We hebben tot nu toe dus gevonden:

$$
(a+2)(b+2)(c+2) \leq \frac{1}{27}\left((x+y+z)^{3}\right)^{2}
$$

We gaan nu bewijzen dat $(x+y+z)^{3} \leq 9\left(x^{3}+y^{3}+z^{3}\right)$. Voor wie het machtsgemiddelde kent: dit volgt direct uit de ongelijkheid van het rekenkundig gemiddelde en het derdemachtsgemiddelde. Er geldt

$$
(x+y+z)^{3}=x^{3}+y^{3}+z^{3}+3\left(x^{2} y+y^{2} z+z^{2} x+x y^{2}+y z^{2}+z x^{2}\right)+6 x y z .
$$

Met rekenkundig-meetkundig op alleen maar positieve termen weten we dat

$$
2 x^{3}+y^{3}=x^{3}+x^{3}+y^{3} \geq 3 \sqrt[3]{x^{6} y^{3}}=3 x^{2} y
$$

en analoog $x^{3}+2 y^{3} \geq 3 x y^{2}$. Als we deze beide ongelijkheden cyclisch doordraaien, vinden we

$$
3\left(x^{2} y+y^{2} z+z^{2} x+x y^{2}+y z^{2}+z x^{2}\right) \leq 6\left(x^{3}+y^{3}+z^{3}\right) .
$$

We weten natuurlijk ook $x^{3}+y^{3}+z^{3} \geq 3 \sqrt[3]{x^{3} y^{3} z^{3}}=3 x y z$, dus al met al krijgen we

$$
(x+y+z)^{3} \leq\left(x^{3}+y^{3}+z^{3}\right)+6\left(x^{3}+y^{3}+z^{3}\right)+2\left(x^{3}+y^{3}+z^{3}\right)=9\left(x^{3}+y^{3}+z^{3}\right) .
$$

Gecombineerd met (4) krijgen we nu

$$
(a+2)(b+2)(c+2) \leq \frac{1}{27}\left(9\left(x^{3}+y^{3}+z^{3}\right)\right)^{2}=3(a+b+c)^{2}
$$

Links en rechts delen door 3 en daarna de worteltrekken (beide kanten zijn positief) geeft nu precies het gevraagde.

Oplossing II. Merk op dat $a, b$ en $c$ positief zijn, zodat we hieronder steeds rekenkundigmeetkundig mogen toepassen. Allereerst passen we rekenkundig-meetkundig toe op $a^{2}$ en 1 :

$$
a^{2}+1 \geq 2 \sqrt{a^{2}}=2 a
$$

Dit kunnen we cyclisch doordraaien en optellen, zodat we vinden:

$$
a^{2}+b^{2}+c^{2}+3 \geq 2 a+2 b+2 c
$$

Verder passen we rekenkundig-meetkundig toe op $b c, c a$ en $a b$ :

$$
b c+c a+a b \geq 3 \sqrt[3]{a^{2} b^{2} c^{2}}=3
$$

waarbij we gebruikt hebben dat $a b c=1$. Ook passen we rekenkundig-meetkundig toe op $a^{2}, b^{2}$ en $c^{2}$ :

$$
a^{2}+b^{2}+c^{2} \geq 3 \sqrt[3]{a^{2} b^{2} c^{2}}=3
$$

Nu nemen we 2 keer (5), 4 keer (6) en 1 keer (7) en tellen dat op. Dan krijgen we:

$$
2 a^{2}+2 b^{2}+2 c^{2}+6+4 b c+4 c a+4 a b+a^{2}+b^{2}+c^{2} \geq 4 a+4 b+4 c+12+3
$$

Gelijke termen bij elkaar nemen, links en rechts 6 aftrekken en links en rechts $2 a b+2 b c+2 c a$ optellen geeft:

$$
3 a^{2}+3 b^{2}+3 c^{2}+6 a b+6 b c+6 c a \geq 2 a b+2 b c+2 c a+4 a+4 b+4 c+9
$$

Nu staat links $3\left(a^{2}+b^{2}+c^{2}+2 a b+2 b c+2 c a\right)=3(a+b+c)^{2}$. Rechts kunnen we 9 schrijven als $8+a b c$ en dan staat daar precies $(a+2)(b+2)(c+2)$. Als we dan ten slotte links en rechts delen door 3 en de wortel trekken (alles is nog steeds positief) dan krijgen we

$$
a+b+c \geq \sqrt{\frac{(a+2)(b+2)(c+2)}{3}}
$$