## Uitwerkingen toets 2008 Opgave 1. Uit $f(m)=f(n)$ volgt $3 m=3 n$ dus $m=n$. Dus $f$ is injectief. Nu bewijzen we met volledige inductie naar $n$ dat $f(n)=n$ voor alle $n$. Omdat $f: \mathbb{Z}_{>0} \rightarrow \mathbb{Z}_{>0}$ geldt $f(1) \geq 1, f(f(1)) \geq 1$ en $f(f(f(1))) \geq 1$. Vullen we nu $n=1$ in de functievergelijking in, dan zien we dat $$ f(f(f(1)))+f(f(1))+f(1)=3, $$ dus moet overal gelijkheid gelden: $f(1)=f(f(1))=f(f(f(1)))=1$. Zij nu $k \geq 2$ en stel dat we voor alle $na_{l} \geq i\right\} $$ Elk element $a_{l}$ uit de rij (met $k>a_{l}$ ) wordt hierin precies $a_{l}$ maal geteld (namelijk voor elke $i \leq a_{l}$ ) dus dit is niets anders dan de som van al dergelijke $a_{l}$. Nu is (zie oplossing 1 van onderdeel a) $k \leq a_{l}$ dan en slechts dan als $l \leq b_{k}$, dus $k>a_{l}$ dan en slechts dan als $l>b_{k}$, dus $$ \sum_{i=1}^{k}\left(b_{i}-b_{k}\right)=\sum_{l: k>a_{l}} a_{l}=\sum_{l=b_{k}+1}^{n} a_{l} $$ en hier volgt het te bewijzen direct uit. Oplossing 2. We bewijzen dit met inductie naar $k$. Voor $k=1$ staat er $$ b_{1} \stackrel{?}{=} b_{1}+\sum_{j=b_{1}+1}^{n} a_{j} $$ en dit is waar omdat $b_{1}=\#\left\{j: a_{j} \geq 1\right\}=n$, dus de som aan de rechterkant is leeg. Stel nu dat we het bewezen hebben voor zekere $k$ met $1 \leq k \leq m-1$. Dan geldt $$ \begin{aligned} \sum_{i=1}^{k+1} b_{i} & =\sum_{i=1}^{k} b_{i}+b_{k+1} \\ & \stackrel{\mathrm{IH}}{=} k \cdot b_{k}+\sum_{j=b_{k}+1}^{n} a_{j}+b_{k+1} \\ & =(k+1) \cdot b_{k+1}+\sum_{j=b_{k+1}+1}^{n} a_{j}+k\left(b_{k}-b_{k+1}\right)-\sum_{j=b_{k+1}+1}^{b_{k}} a_{j} \\ & =(k+1) \cdot b_{k+1}+\sum_{j=b_{k+1}+1}^{n} a_{j}+k\left(b_{k}-b_{k+1}\right)-\sum_{j=b_{k+1}+1}^{b_{k}} k \\ & =(k+1) \cdot b_{k+1}+\sum_{j=b_{k+1}+1}^{n} a_{j} . \end{aligned} $$ Opgave 4. Zij a zo dat $1+12 n^{2}=a^{2}$. We kunnen dit herschrijven als $$ 12 n^{2}=a^{2}-1=(a+1)(a-1) $$ De linkerkant is deelbaar door 2, dus de rechterkant ook, dus $a$ is oneven. Omdat links een even aantal factoren 2 staat, moeten zowel $a+1$ en $a-1$ deelbaar zijn door een oneven aantal factoren 2 (de een is namelijk deelbaar door precies één factor 2). Verder geldt $\operatorname{ggd}(a+1, a-1)=2$, dus alle oneven priemfactoren die voorkomen in $n$, komen voor in precies één van $a+1$ en $a-1$. Voor de priemfactoren groter dan 3 geldt dat ze rechts een even aantal keer voorkomen; de priemfactor 3 komt een oneven aantal keer voor. Concluderend zijn er twee mogelijkheden: $$ a+1=6 b^{2} \quad \text { en } \quad a-1=2 c^{2} $$ voor zekere gehele $b$ en $c$ met $b c=n$ of $$ a+1=2 b^{2} \quad \text { en } \quad a-1=6 c^{2} $$ voor zekere gehele $b$ en $c$ met $b c=n$. Bekijk eerst het eerste geval. Dan is $a+1$ deelbaar door 3 en dus $a-1 \equiv 1 \bmod 3$. Maar daaruit volgt $c^{2} \equiv 2 \bmod 3$ en dat is onmogelijk. Dus het tweede geval moet gelden. Maar dan is $$ 2+2 \sqrt{1+12 n^{2}}=2+2 a=2(a+1)=4 b^{2}=(2 b)^{2}, $$ en dat is wat we moesten bewijzen. Opgave 5. Oplossing 1. Zij $S$ het snijpunt van $\Gamma$ en $C Q$. We moeten bewijzen dat $|Q S|=|S C|$. De lijn $B C$ is een raaklijn aan $\Gamma$, dus geldt $\angle C B P=\angle B A P=\angle Q A P$. Omdat de driehoeken $C B P$ en $Q A P$ beide gelijkbenig zijn, zijn ze gelijkvormig. Zij $\alpha=\angle B C P$, dan geldt $$ \alpha=\angle B C P=\angle C P B=\angle Q P A=\angle A Q P $$ We zien nu dat $$ \angle C P Q=\angle C P B+\angle B P Q=\angle Q P A+\angle B P Q=\angle B P A=90^{\circ} . $$ Dus $P$ ligt, net als $B$, op de cirkel met middellijn $C Q$. Punt $S$ ligt op deze middellijn en we willen laten zien dat $S$ het middelpunt van de cirkel is, dus het is voldoende om te laten zien dat $$ \angle B S P=2 \alpha=2 \angle B C P . $$ In koordenvierhoek $Q B C P$ geldt $\angle C P B=\angle C Q B$, dus $2 \alpha=\angle C Q B+\angle A Q P=180^{\circ}-\angle P Q C=180^{\circ}-\angle P B C=90^{\circ}+\angle Q B C-\angle P B C=90^{\circ}+\angle Q B P$. In koordenvierhoek $A B S P$, waarin $A B$ de middellijn is, zien we $$ 90^{\circ}+\angle Q B P=90^{\circ}+\angle A B P=\angle B S A+\angle A S P=\angle B S P, $$ zodat we kunnen concluderen $$ 2 \alpha=\angle B S P $$ en dat is wat we wilden bewijzen. Oplossing 2. Merk eerst op (net als in de vorige oplossing) dat de twee gelijkbenige driehoeken gelijkvormig zijn. Omdat $B C$ loodrecht op $A B$ staat, is de ene driehoek $90^{\circ}$ gedraaid ten opzichte van de andere. Zij $l_{1}$ de bissectrice van $\angle P B C$ en $l_{2}$ de bissectrice $\operatorname{van} \angle P A Q$. Deze bissectrices staan nu loodrecht op elkaar. Zij $T$ het snijpunt van $l_{1}$ en $l_{2}$. Dan geldt dus $\angle A T B=90^{\circ}$, dus $T$ ligt op $\Gamma$. Nu is $P$ het beeld van $C$ onder spiegeling in $l_{1}$ en $Q$ is het beeld van $P$ onder spiegeling in $l_{2}$. De samenstelling van deze twee spiegelingen is de rotatie in $T$ om $2 \cdot 90=180$ graden. Onder deze rotatie gaat $C$ over in $Q$, dus $C T Q$ is een rechte lijn. Dus $T=S$. Wegens de rotatie geldt ook $|T C|=|T Q|$, dus $S$ is het midden van $C Q$.