## |MO-selectietoets || zaterdag 8 juni 2013 ![](https://cdn.mathpix.com/cropped/2024_12_06_0f7179fda04ff492fe47g-1.jpg?height=373&width=625&top_left_y=128&top_left_x=1379) ## Uitwerkingen Opgave 1. Bewijs dat $$ \sum_{n=0}^{2013} \frac{4026!}{(n!(2013-n)!)^{2}} $$ het kwadraat van een geheel getal is. Oplossing. Door 2013 te vervangen door 1, 2, 3 en 4 en de som dan uit te rekenen, krijg je een vermoeden voor welk getal in het kwadraat deze som oplevert. De faculteiten suggereren dat je het in de binomiaalcoëfficiënten moet zoeken. We bewijzen iets algemeners: $$ \sum_{n=0}^{m} \frac{(2 m)!}{(n!(m-n)!)^{2}}=\binom{2 m}{m}^{2} $$ Hieruit volgt het gevraagde. Er geldt $$ \frac{(2 m)!}{(n!(m-n)!)^{2}}=\frac{(m!)^{2}}{(n!(m-n)!)^{2}} \cdot \frac{(2 m)!}{(m!)^{2}}=\binom{m}{n}^{2} \cdot\binom{2 m}{m} $$ Het is dus voldoende te bewijzen dat $$ \sum_{n=0}^{m}\binom{m}{n}^{2}=\binom{2 m}{m} $$ We doen dit combinatorisch. Bekijk $2 m$ ballen genummerd van 1 tot en met $2 m$, waarbij de ballen van 1 tot en met $m$ blauw gekleurd zijn en de ballen van $m+1$ tot en met $2 m$ rood gekleurd zijn. Je wilt hier totaal $m$ ballen van uitkiezen. Dat kan op $\binom{2 m}{m}$ manieren. Anderzijds kunnen we ook eerst $n$ blauwe ballen uitkiezen, met $0 \leq n \leq m$, en vervolgens $m-n$ rode ballen. Dat komt op hetzelfde neer als eerst $n$ blauwe ballen uitkiezen en daarna $n$ rode ballen niet uitkiezen. Dus het aantal manieren om $m$ ballen uit te kiezen is ook gelijk aan $$ \sum_{n=0}^{m}\binom{m}{n}^{2} $$ Dus deze som is gelijk aan $\binom{2 m}{m}$. En daarmee hebben we (1) bewezen. Opgave 2. Zij $P$ het snijpunt van de diagonalen van een convexe vierhoek $A B C D$. Laat $X, Y$ en $Z$ punten op het inwendige van respectievelijk $A B, B C$ en $C D$ zijn zodat $$ \frac{|A X|}{|X B|}=\frac{|B Y|}{|Y C|}=\frac{|C Z|}{|Z D|}=2 $$ Veronderstel bovendien dat $X Y$ raakt aan de omgeschreven cirkel van $\triangle C Y Z$ en dat $Y Z$ raakt aan de omgeschreven cirkel van $\triangle B X Y$. Bewijs dat $\angle A P D=\angle X Y Z$. Oplossing. Vanwege de raaklijnomtrekshoekstelling is $\angle C Z Y=\angle B Y X$ en $\angle B X Y=$ $\angle C Y Z$. Hieruit volgt ten eerste dat $$ \angle X Y Z=180^{\circ}-\angle B Y X-\angle C Y Z=180^{\circ}-\angle B Y X-\angle B X Y=\angle X B Y=\angle A B C . $$ Ten tweede zien we dat $\triangle X B Y \sim \triangle Y C Z$ (hh). Dit betekent $$ \frac{|X B|}{|B Y|}=\frac{|Y C|}{|C Z|} $$ Gegeven is dat $|X B|=\frac{1}{3}|A B|,|B Y|=\frac{2}{3}|B C|,|Y C|=\frac{1}{3}|B C|$ en $|C Z|=\frac{2}{3}|C D|$. Dit invullen geeft $$ \frac{\frac{1}{3}|A B|}{\frac{2}{3}|B C|}=\frac{\frac{1}{3}|B C|}{\frac{2}{3}|C D|} $$ en dus $$ \frac{|A B|}{|B C|}=\frac{|B C|}{|C D|} $$ Uit de gelijkvormigheid volgt ook $\angle A B C=\angle X B Y=\angle Y C Z=\angle B C D$. Als we dit combineren met de gevonden verhouding, krijgen we een nieuwe gelijkvormigheid: $\triangle A B C \sim \triangle B C D$ (zhz). Dus $\angle C A B=\angle D B C$. Dit geeft $$ \angle P A B+\angle A B P=\angle C A B+\angle A B D=\angle D B C+\angle A B D=\angle A B C . $$ We wisten al dat $\angle A B C=\angle X Y Z$. Met de buitenhoekstelling in driehoek $A B P$ krijgen we nu $$ \angle B P C=\angle P A B+\angle A B P=\angle A B C=\angle X Y Z . $$ Aangezien $\angle B P C=\angle A P D$, geldt $\angle A P D=\angle X Y Z$. Opgave 3. Gegeven is een onbekende rij $a_{1}, a_{2}, a_{3}, \ldots$ van gehele getallen die voldoet aan de volgende eigenschap: voor elk priemgetal $p$ en elk positief geheel getal $k$ geldt $$ a_{p k+1}=p a_{k}-3 a_{p}+13 $$ Bepaal alle mogelijke waarden van $a_{2013}$. Oplossing I. Laat $q$ en $t$ priemgetallen zijn. Vul in $k=q, p=t$ : $$ a_{q t+1}=t a_{q}-3 a_{t}+13 $$ Vul ook in $k=t, p=q$ : $$ a_{q t+1}=q a_{t}-3 a_{q}+13 $$ Beide uitdrukkingen rechts zijn dus gelijk aan elkaar, waaruit volgt $$ t a_{q}-3 a_{t}=q a_{t}-3 a_{q} $$ oftewel $$ (t+3) a_{q}=(q+3) a_{t} $$ In het bijzonder geldt $5 a_{3}=6 a_{2}$ en $5 a_{7}=10 a_{2}$. Vul nu $k=3, p=2$ in: $$ a_{7}=2 a_{3}-3 a_{2}+13=2 \cdot \frac{6}{5} a_{2}-3 a_{2}+13 $$ Omdat $a_{7}=\frac{10}{5} a_{2}$, vinden we nu $$ \frac{13}{5} a_{2}=13 $$ dus $a_{2}=5$. Nu geldt voor elk priemgetal $p$ dat $a_{p}=\frac{(p+3) a_{2}}{5}=p+3$. Vul in $k=4, p=3$ : $$ a_{13}=3 a_{4}-3 a_{3}+13 $$ We weten dat $a_{13}=16$ en $a_{3}=6$, dus dit geeft $3 a_{4}=21$, oftewel $a_{4}=7$. Vul ten slotte $k=4$ en $p=503$ in: $a_{2013}=a_{4 \cdot 503+1}=503 \cdot a_{4}-3 a_{503}+13=503 \cdot 7-3 \cdot(503+3)+13=503 \cdot 4-9+13=2016$. Dus $a_{2013}=2016$ en dit is de enige mogelijke waarde. Oplossing II. Leid net als in oplossing I af dat $a_{2}=5$ en $a_{p}=p+3$ voor alle priemgetallen $p$. Dan geldt dus $a_{3}=6$. Invullen van $k=1$ en $p=2$ geeft $$ a_{3}=2 a_{1}-3 a_{2}+13=2 a_{1}-2, $$ dus $2 a_{1}=a_{3}+2=8$, dus $a_{1}=4$. Nu hebben we $a_{1}$ en $a_{2}$ berekend. Voor $n \geq 3$ geldt dat er altijd een priemgetal $p$ is met $p \mid n-1$, dus dat we altijd $p$ en $k$ kunnen vinden zodat $n=k p+1$. Dus ligt de waarde van $a_{n}$ vast als we alle waarden $a_{m}$ met $1 \leq m