## Selectietoets vrijdag 21 maart 2014 ## Uitwerkingen Opgave 1. Vind alle niet-negatieve gehele getallen $n$ waarvoor er gehele getallen $a$ en $b$ bestaan met $n^{2}=a+b$ en $n^{3}=a^{2}+b^{2}$. Oplossing I. Vanwege de ongelijkheid van het rekenkundig en meetkundig gemiddelde, toegepast op $a^{2}$ en $b^{2}$, geldt $a^{2}+b^{2} \geq 2 a b$. Aangezien $2 a b=(a+b)^{2}-\left(a^{2}+b^{2}\right)$, volgt hieruit $n^{3} \geq\left(n^{2}\right)^{2}-n^{3}$, oftewel $2 n^{3} \geq n^{4}$. Dit betekent $n=0$ of $2 \geq n$. Dus $n=0, n=1$ en $n=2$ zijn de enige mogelijkheden. Voor $n=0$ vinden we $a=b=0$ als oplossing, voor $n=1$ vinden we $a=0, b=1$ als oplossing en voor $n=2$ vinden we $a=b=2$ als oplossing. De getallen $n$ die voldoen zijn dus precies $n=0, n=1$ en $n=2$. Oplossing II. Schrijf $b=n^{2}-a$ en vul dat in: $$ n^{3}=a^{2}+b^{2}=a^{2}+\left(n^{2}-a\right)^{2}=a^{2}+n^{4}-2 a n^{2}+a^{2} . $$ Dus $$ 2 a^{2}-2 n^{2} a+n^{4}-n^{3}=0 . $$ Dit is een kwadratische vergelijking in $a$, waarvan de discriminant gelijk is aan $$ D=\left(-2 n^{2}\right)^{2}-4 \cdot 2 \cdot\left(n^{4}-n^{3}\right)=-4 n^{4}+8 n^{3}=4 n^{2}\left(-n^{2}+2 n\right) . $$ Voor $n \geq 3$ geldt $-n^{2}+2 n \leq-3 n+2 n=-n<0$, dus dan is er geen oplossing voor $a$. Er moet dus gelden $n \leq 2$. Voor $n=0$ vinden we $a=b=0$ als oplossing, voor $n=1$ vinden we $a=0, b=1$ als oplossing en voor $n=2$ vinden we $a=b=2$ als oplossing. De getallen $n$ die voldoen zijn dus precies $n=0, n=1$ en $n=2$. Opgave 2. Vind alle functies $f: \mathbb{R} \backslash\{0\} \rightarrow \mathbb{R}$ waarvoor geldt: $$ x f(x y)+f(-y)=x f(x) $$ voor alle reële $x, y$ ongelijk aan 0 . Oplossing. Vul in $x=1$, dat geeft $f(y)+f(-y)=f(1)$, oftewel $f(-y)=f(1)-f(y)$ voor alle $y$. Vul nu in $y=-1$, dat geeft $x f(-x)+f(1)=x f(x)$. Als we hierin $f(-x)=$ $f(1)-f(x)$ invullen, krijgen we $x(f(1)-f(x))+f(1)=x f(x)$, dus $x f(1)+f(1)=2 x f(x)$. We zien dat $f$ van de vorm $f(x)=c+\frac{c}{x}$ is voor zekere $c \in \mathbb{R}$. Deze familie van functies controleren we. Links staat dan $x f(x y)+f(-y)=x\left(c+\frac{c}{x y}\right)+c+\frac{c}{-y}=x c+c$ en rechts staat $x f(x)=x\left(c+\frac{c}{x}\right)=x c+c$. Deze twee zijn aan elkaar gelijk, dus deze functie voldoet voor alle $c \in \mathbb{R}$. Opgave 3. In driehoek $A B C$ is $I$ het middelpunt van de ingeschreven cirkel. Een cirkel raakt aan $A I$ in $I$ en gaat verder door $B$. Deze cirkel snijdt $A B$ nogmaals in $P$ en $B C$ nogmaals in $Q$. De lijn $Q I$ snijdt $A C$ in $R$. Bewijs dat $|A R| \cdot|B Q|=|P I|^{2}$. Oplossing. Er is maar één configuratie. Er geldt $$ \begin{array}{rlr} \angle A I P & =\angle I B P & \text { (raaklijn-omtrekshoekstelling) } \\ & =\angle I B Q & (I B \text { is bissectrice) } \\ & =\angle I P Q & \text { (koordenvierhoek } P B Q I \text { ) } \end{array} $$ dus vanwege Z-hoeken geldt nu $A I \| P Q$. Dit betekent $\angle I A B=\angle Q P B=\angle Q I B$, waarbij de laatste gelijkheid geldt vanwege de koordenvierhoek. We hadden al gezien dat $\angle A I P=\angle I B Q$, dus $\triangle I A P \sim \triangle B I Q$ (hh). Dus $$ \frac{|A P|}{|P I|}=\frac{|Q I|}{|B Q|} $$ Daarnaast is $\angle R I A$ de overstaande hoek van een raaklijnhoek en daarom gelijk aan $\angle I P Q$, waarvan we al wisten dat die gelijk is aan $\angle A I P$. Dus $\angle R I A=\angle A I P$. Vanwege de bissectrice $A I$ geldt ook $\angle R A I=\angle P A I$, dus $\triangle R A I \cong \triangle P A I$ (HZH). Hieruit volgt $|A R|=|A P|$. Verder is $I$ het midden van boog $P Q$, aangezien $B I$ een bissectrice is, dus $|P I|=|Q I|$. Deze twee dingen vullen we in in (1): $$ \frac{|A R|}{|P I|}=\frac{|P I|}{|B Q|} $$ waaruit volgt $|A R| \cdot|B Q|=|P I|^{2}$. Opgave 4. Laat $m \geq 3$ en $n$ positieve gehele getallen zijn met $n>m(m-2)$. Vind het grootste positieve gehele getal $d$ zodat $d \mid n$ ! en $k \nmid d$ voor alle $k \in\{m, m+1, \ldots, n\}$. Oplossing. We gaan bewijzen dat $d=m-1$ de grootste is die voldoet. Merk eerst op dat $m-1 \mid n$ ! en dat voor $k \geq m$ geldt $k \nmid m-1$, dus $d=m-1$ voldoet inderdaad. Stel nu dat voor zekere $d$ geldt: $d \mid n$ ! en $k \nmid d$ voor alle $k \in\{m, m+1, \ldots, n\}$. We gaan bewijzen dat $d \leq m-1$. Schrijf $d=p_{1} p_{2} \cdots p_{t}$ met $p_{i}$ priem voor alle $i$ (niet noodzakelijk allemaal verschillend). Als $t=0$, is $d=1 \leq m-1$, dus we mogen aannemen $t \geq 1$. Uit de eerste voorwaarde op $d$ volgt $p_{i} \leq n$ voor alle $i$. Uit de tweede voorwaarde op $d$ volgt dat $p_{i} \notin\{m, m+1, \ldots, n\}$ voor alle $i$. Dus $p_{i} \leq m-1$ voor alle $i$. Bekijk nu de getallen $p_{1}, p_{1} p_{2}, \ldots, p_{1} p_{2} \cdots p_{t}$. Dit zijn allemaal delers van $d$ en daarom allemaal ongelijk aan getallen uit $\{m, m+1, \ldots, n\}$. Verder weten we dat $p_{1} \leq m-1$. Bekijk nu de grootste $j \leq t$ waarvoor geldt dat $p_{1} p_{2} \cdots p_{j} \leq m-1$. Als $jn$. De kleinste $k$ waarvoor Merlijn wint, is dan dus de kleinste $k$ met $2^{k}>n$. Stel dat $2^{k}>n$. Het aantal mogelijke verzamelingen van kleuren is $2^{k}$ en daarom groter dan $n$. Er zijn $n$ doosjes, dus niet alle verzamelingen van kleuren kunnen precies de kleuren van fiches in een doosje zijn. Merlijn kan dus een verzameling kleuren kiezen die niet in een doosje voorkomt en de vellen daarvan met de achterkant boven leggen. Dan wint hij. Stel nu dat $2^{k} \leq n$. Daniël vult nu eerst de doosjes met verzamelingen fiches, zodat elke mogelijke verzameling voorkomt in een doosje. Dat kan, want het aantal mogelijke verzamelingen is $2^{k}$ en we hebben minstens $2^{k}$ doosjes. Nu schrijft Daniël op elk vel gekleurd papier op de voorkant precies de getallen van de doosjes waar een fiche van de juiste kleur in zit, en op de achterkant de rest. Op deze manier corresponderen de fiches in de doosjes weer precies met de getallen op de voorkant van de vellen. Welke verzameling kleuren Merlijn nu ook uitkiest, er is altijd een doosje met precies die verzameling kleuren. Merlijn kan dus niet winnen. Oplossing II. We gaan laten zien dat Merlijn kan winnen dan en slechts dan als $2^{k}>n$. De kleinste $k$ waarvoor Merlijn wint, is dan dus de kleinste $k$ met $2^{k}>n$. Stel dat $2^{k}>n$. Merlijn kiest één voor één bij elk vel of hij het wel of niet omdraait. Bij het eerste vel legt hij de kant boven waar de meeste getallen op staan (dus minstens de helft van de getallen 1 tot en met $n$ ). Bij elk volgende vel legt hij de kant naar boven waar zoveel mogelijk getallen op staan die hij nog niet op eerdere vellen zichtbaar had liggen. Laat $b_{j}$ het aantal getallen zijn dat nog niet zichtbaar is op de vellen 1 tot en met $j$ nadat Merlijn voor deze vellen een keuze heeft gemaakt. Dan is $b_{1} \leq \frac{1}{2} n$ en $b_{j} \leq \frac{1}{2} b_{j-1}$ voor $j \geq 2$. Dus $b_{j} \leq\left(\frac{1}{2}\right)^{j} n$ en in het bijzonder $b_{k} \leq\left(\frac{1}{2}\right)^{k} n$. Omdat $2^{k}>n$, is $\left(\frac{1}{2}\right)^{k} n<1$, dus $b_{k}<1$. Omdat $b_{k}$ geheel moet zijn, geldt $b_{k}=0$. Dus na Merlijns keuze voor alle $k$ vellen zijn er geen getallen meer onzichtbaar. Nu bewijzen we dat voor $2^{k} \leq n$ Daniël kan zorgen dat Merlijn niet kan winnen. Dit doen we met inductie naar $k$. Voor $k=1$ geldt $n \geq 2$. Daniël schrijft nu het getal 1 op de ene kant van het vel en alle andere getallen (dat is er minstens één) op de andere kant. Merlijn kan dit vel nu niet zo draaien dat hij kan winnen. Dat is de inductiebasis. Zij nu $k \geq 1$ en neem aan dat Daniël $k$ vellen zo kan beschrijven met $n \geq 2^{k}$ getallen dat Merlijn niet kan winnen. We bekijken nu $k+1$ vellen. Beschrijf de eerste $k$ vellen op zo'n manier met de getallen 1 tot en met $2^{k}$ dat Merlijn met alleen die getallen niet kan winnen; dit kan volgens de inductiehypothese. Schrijf vervolgens op elk vel weer dezelfde getallen voor en achter, maar dan verhoogd met $2^{k}$, zodat deze getallen van $2^{k}+1$ tot en met $2^{k+1}$ lopen. Schrijf ten slotte alle getallen $m$ met $2^{k+1}