## IMO-selectietoets | woensdag 29 mei 2019 ## Uitwerkingen Opgave 1. Gegeven is een kwadratisch polynoom $P(x)$ met twee verschillende reële nulpunten. Voor alle reële getallen $a$ en $b$ met $|a|,|b| \geq 2017$ geldt dat $P\left(a^{2}+b^{2}\right) \geq P(2 a b)$. Bewijs dat minstens één van de nulpunten van $P$ negatief is. Oplossing I. Schrijf $P(x)=c(x-d)(x-e)$, waarbij $d$ en $e$ de nulpunten zijn, dus $d \neq e$. Verder geldt $c \neq 0$, anders is $P$ niet kwadratisch. Voor $|a|,|b| \geq 2017$ volgt nu uit $P\left(a^{2}+b^{2}\right) \geq P(2 a b)$ dat $$ c\left(a^{2}+b^{2}-d\right)\left(a^{2}+b^{2}-e\right) \geq c(2 a b-d)(2 a b-e) $$ We werken haakjes uit en strepen links en rechts de term cde weg: $$ c\left(\left(a^{2}+b^{2}\right)^{2}-(d+e)\left(a^{2}+b^{2}\right)\right) \geq c\left((2 a b)^{2}-(d+e) \cdot 2 a b\right) . $$ We halen $c(2 a b)^{2}$ naar links, zodat daar een merkwaardig product ontstaat; en we zetten de termen met een factor $(d+e)$ samen rechts. Nu vinden we $$ c\left(a^{2}+b^{2}-2 a b\right)\left(a^{2}+b^{2}+2 a b\right) \geq c(d+e)\left(a^{2}+b^{2}-2 a b\right) $$ We factoriseren beide kanten: $$ c(a-b)^{2}(a+b)^{2} \geq c(d+e)(a-b)^{2} $$ Voor $a \neq b$ is $(a-b)^{2}>0$, dus kunnen we daardoor delen, zonder dat het teken omklapt. We krijgen $$ c(a+b)^{2} \geq c(d+e) $$ We onderscheiden nu twee gevallen. Stel eerst dat $c>0$. Dan kunnen we links en rechts door $c$ delen en klapt het teken niet om. Als we vervolgens kiezen voor $a=2017, b=-2017$ krijgen we $0 \geq d+e$. Omdat $d \neq e$ volgt hieruit dat minstens één van $d$ en $e$ negatief moet zijn. Nu het tweede geval: $c<0$. Dan klapt het teken om bij deling door $c$ en krijgen we $(a+b)^{2} \leq d+e$ voor alle $a \neq b$ met $|a|,|b| \geq 2017$. Door het variëren van $a$ en $b$ kan de linkerkant willekeurig groot worden, terwijl de rechterkant constant is. Tegenspraak. We concluderen dat het eerste geval moet gelden en dus minstens één van de nulpunten van $P$ negatief is. Oplossing II. Schrijf $P(x)=c(x-d)(x-e)$, waarbij $d$ en $e$ de nulpunten zijn, dus $d \neq e$. Verder geldt $c \neq 0$, anders is $P$ niet kwadratisch. We onderscheiden twee gevallen. Stel eerst dat $c>0$. We nemen $b=-a=2017$ in $P\left(a^{2}+b^{2}\right) \geq P(2 a b)$, waardoor we krijgen $P\left(2 a^{2}\right) \geq P\left(-2 a^{2}\right)$, dus $$ c\left(2 a^{2}-d\right)\left(2 a^{2}-e\right) \geq c\left(-2 a^{2}-d\right)\left(-2 a^{2}-2\right) $$ We delen door $c>0$, werken haakjes uit en strepen links en rechts de termen $4 a^{4}$ en de weg: $$ -(d+e) \cdot 2 a^{2} \geq(d+e) \cdot 2 a^{2} $$ oftewel $$ 4 a^{2}(d+e) \leq 0 $$ We kunnen delen door $4 a^{2}=4 \cdot 2017^{2}$, zodat we vinden dat $d+e \leq 0$. Omdat de twee nulpunten verschillend zijn, moet nu minstens één van beide negatief zijn. Stel nu dat $c<0$. Dan hebben we te maken met een bergparabool, die rechts voorbij de top dalend is. Kies nu $a \neq b$ met $a, b \geq 2017$ en $a$ en $b$ rechts van de top, dan geldt volgens de ongelijkheid van het rekenkundig-meetkundig $a^{2}+b^{2}>2 a b$ (geen gelijkheid want $a \neq b$ ). Omdat $a$ en $b$ positief en groter dan 1 zijn en rechts van de top liggen, geldt $2 a b>a$, dus ligt ook $2 a b$ rechts van de top (en daarmee $a^{2}+b^{2}$ ook). Dus omdat $P$ dalend is, geldt $P\left(a^{2}+b^{2}\right)
2 n$. Er geldt $a+2 b=5 n$, dus $a=5 n-2 b$, waaruit volgt dat $G \leq a+b+a=10 n-4 b+b=10 n-3 b<10 n-6 n=4 n$.
Geval 2a: $b \neq c$ en $c-a \geq n$. Nu geldt $G \leq a+b+a=(a+b+c)-(c-a)=5 n-(c-a) \leq$ $5 n-n=4 n$.
Geval 2b: $b \neq c$ en $c-a