# IMO-selectietoets II donderdag 11 juni 2020 ## Uitwerkingen Opgave 1. Gegeven zijn reële getallen $a_{1}, a_{2}, \ldots, a_{2020}$, niet noodzakelijk verschillend. Voor elke $n \geq 2020$ wordt nu $a_{n+1}$ gedefinieerd als het kleinste reële nulpunt van het polynoom $$ P_{n}(x)=x^{2 n}+a_{1} x^{2 n-2}+a_{2} x^{2 n-4}+\ldots+a_{n-1} x^{2}+a_{n} $$ als dat bestaat. Veronderstel dat $a_{n+1}$ bestaat voor alle $n \geq 2020$. Bewijs dat $a_{n+1} \leq a_{n}$ voor alle $n \geq 2021$. Oplossing. Als $x=\alpha$ een nulpunt van $P_{n}$ is, dan is $x=-\alpha$ ook een nulpunt, aangezien alle termen in $P_{n}(x)$ een even graad hebben. Het kleinste nulpunt van $P_{n}$ kan dus nooit positief zijn. Er geldt daarom $a_{n} \leq 0$ voor alle $n>2020$. Er geldt $P_{n+1}(x)=x^{2} \cdot P_{n}(x)+a_{n+1}$. Vul nu $x=a_{n+1}$ in: we weten dat dat een nulpunt van $P_{n}$ is, dus $P_{n+1}\left(a_{n+1}\right)=0+a_{n+1} \leq 0$. Omdat de term in $P_{n}(x)$ met de hoogste graad $x^{2 n}$ is, is er een $N<0$ zodat $P_{n}(x)>0$ voor alle $x0$. Dus voor $n \geq 2021$ is er een zekere $N<0$ met $P_{n}(x)>0$ voor $x1$ tenzij $b=1$, maar in dat geval geldt $\varphi(b)=b$ ). Hieruit volgt dat $b$ een priemgetal is. Voor alle priemgetallen klopt de vergelijking. We concluderen dat $(1, p)$ een oplossing is voor alle priemgetallen $p$. Net zo goed geeft $b=1$ de oplossingen $(p, 1)$. We nemen nu verder aan dat $a, b \geq 2$. Omdat $\operatorname{ggd}(b, b)>1$ geldt $\varphi(b) \leq b-1$. Dus $$ \operatorname{ggd}(a, b)=a+b-\varphi(a)-\varphi(b) \geq a-\varphi(a)+1 $$ Zij nu $p$ de kleinste priemdeler van $a$ (die bestaat, want $a \geq 2$ ). Omdat voor alle $p$-vouden $t p \leq a$ geldt dat $\operatorname{ggd}(t p, a)>1$, is $a-\varphi(a) \geq \frac{1}{p} \cdot a$. Er geldt dus $$ \operatorname{ggd}(a, b) \geq a-\varphi(a)+1 \geq \frac{a}{p}+1 $$ De grootste twee delers van $a$ zijn $a$ en $\frac{a}{p}$. Omdat $\operatorname{ggd}(a, b)$ een deler van $a$ is die minstens $\frac{a}{p}+1$ is, moet hij gelijk zijn aan $a$. Dus $\operatorname{ggd}(a, b)=a$. Volkomen analoog kunnen we bewijzen dat $\operatorname{ggd}(a, b)=b$. Dus $a=b$. Nu gaat de vergelijking over in $2 a=2 \varphi(a)+a$, oftewel $a=2 \varphi(a)$. We zien dat $2 \mid a$. Schrijf daarom $a=2^{k} \cdot m$ met $k \geq 1$ en $m$ oneven. Dan geldt wegens een bekende eigenschap van de $\varphi$-functie dat $\varphi(a)=\varphi\left(2^{k}\right) \varphi(m)=2^{k-1} \cdot \varphi(m)$, dus de vergelijking gaat over in $2^{k} \cdot m=2 \cdot 2^{k-1} \cdot \varphi(m)$, oftewel $m=\varphi(m)$. Hieruit volgt $m=1$. Dus $a=b=2^{k}$ en dan klopt de vergelijking inderdaad. We concluderen dat de oplossingen zijn: $(1, p)$ en $(p, 1)$ voor alle priemgetallen $p$, en $\left(2^{k}, 2^{k}\right)$ voor alle positieve gehele $k$. Oplossing II. Schrijf $a=x d, b=y d$ met $d=\operatorname{ggd}(a, b)$. Dan gaat de vergelijking over in $$ x d+y d=\varphi(x d)+\varphi(y d)+d $$ Van de getallen $\{1,2, \ldots, x\}$ zijn er $\varphi(x)$ die copriem zijn met $x$, dus hooguit $\varphi(x)$ die copriem zijn met $x d$. Hetzelfde geldt voor de getallen $\{x+1, x+2, \ldots, 2 x\}$ en meer algemeen voor de getallen $\{t x+1, t x+2, \ldots,(t+1) x\}$. Door de getallen $\{1,2, \ldots, x d\}$ in $d$ van dit soort groepjes op te delen, zien we dat hooguit $d \cdot \varphi(x)$ van deze getallen copriem zijn met $x d$. Dus $\varphi(x d) \leq d \cdot \varphi(x)$. Analoog geldt $\varphi(y d) \leq d \cdot \varphi(y)$. Dus krijgen we $$ x d+y d \leq d \cdot \varphi(x)+d \cdot \varphi(y)+d $$ Delen door $d$ geeft $$ x+y \leq \varphi(x)+\varphi(y)+1 $$ Als $x, y \geq 2$ geldt $\varphi(x) \leq x-1, \varphi(y) \leq y-1$ en kan dit niet waar zijn. Dus minstens één van $x$ en $y$ is gelijk aan 1. Stel dat $x=y=1$. Dan geldt $a=b$. Net als in de eerste oplossing leiden we af dat dan $a=b=2^{k}$ met $k \geq 1$. Stel nu dat $x=1$ en $y \neq 1$. Dan moet gelden $\varphi(y) \geq y-1$, dus $y$ moet dan een priemgetal zijn. Verder moet er gelijkheid gelden in $\varphi(x d) \leq d \cdot \varphi(x)$. Invullen van $x=1$ geeft dus $\varphi(d)=d \cdot \varphi(1)=d$. Dat kan alleen als $d=1$. We vinden $(a, b)=(1, p)$ voor een priemgetal $p$. Analoog volgt uit $x \neq 1$ en $y=1$ de oplossing $(p, 1)$. We concluderen dat de oplossingen zijn: $(1, p)$ en $(p, 1)$ voor alle priemgetallen $p$, en $\left(2^{k}, 2^{k}\right)$ voor alle positieve gehele $k$. Opgave 4. Zij $A B C$ een scherphoekige driehoek en zij $P$ het snijpunt van de raaklijnen in $B$ en $C$ aan de omgeschreven cirkel van $\triangle A B C$. De lijn door $A$ loodrecht op $A B$ en de lijn door $C$ loodrecht op $A C$ snijden in $X$. De lijn door $A$ loodrecht op $A C$ en de lijn door $B$ loodrecht op $A B$ snijden in $Y$. Toon aan dat $A P \perp X Y$. ![](https://cdn.mathpix.com/cropped/2024_12_06_90a3afd5e599870b1230g-5.jpg?height=760&width=814&top_left_y=731&top_left_x=642) Oplossing I. Zij $M$ het midden van de omgeschreven cirkel van $\triangle A B C$ en schrijf $\alpha=$ $\angle B A C$. We bewijzen eerst dat $\triangle B Y A \sim \triangle B M P$ en vervolgens dat $\triangle Y B M \sim \triangle A B P$. Wegens de middelpunt-omtrekshoekstelling geldt $\angle B M C=2 \angle B A C=2 \alpha$. Vierhoek $P B M C$ is een vlieger met symmetrie-as $P M$ (wegens gelijke stralen $|M B|=|M C|$ en gelijke raaklijnstukjes $|P B|=|P C|$ ), dus $M P$ deelt hoek $\angle B M C$ in tweeën. We concluderen dat $\angle B M P=\frac{1}{2} \angle B M C=\alpha$. Verder geldt $\angle P B M=90^{\circ}$ (raaklijn staat loodrecht op de straal) en dus wegens hoekensom dat $\angle M P B=90^{\circ}-\alpha$. Anderzijds geldt dat $\angle A B Y=90^{\circ}$ (gegeven) en dat $\angle Y A B=\angle Y A C-\angle B A C=90^{\circ}-\alpha$. Dus $\angle A B Y=\angle P B M$ en $\angle Y A B=\angle M P B$, waaruit volgt dat $\triangle B Y A \sim \triangle B M P$. Uit deze gelijkvormigheid volgt dat $\frac{|Y B|}{|A B|}=\frac{|M B|}{|P B|}$. Combineren we dit met de hoekengelijkheid $$ \angle Y B M=\angle Y B A+\angle A B M=90^{\circ}+\angle A B M=\angle A B M+\angle M B P=\angle A B P $$ dan zien we dat bovendien $\triangle Y B M \sim \triangle A B P$. Noemen we nu $T$ het snijpunt van $A P$ en $Y M$, dan zien we dus dat $$ \angle B Y T=\angle B Y M=\angle B A P=\angle B A T $$ waaruit volgt dat $B Y A T$ een koordenvierhoek is. We concluderen dat $\angle A T Y=\angle A B Y=$ $90^{\circ}$, dus dat $A P \perp Y M$. Analoog vinden we dat $A P \perp X M$. Maar dat betekent dat de lijnen $Y M$ en $X M$ samenvallen en dat $A P \perp X Y$. Oplossing II. Zij $S$ het snijpunt van $C X$ en $B Y$. De lijnen $A X$ en $B Y$ staan allebei loodrecht op $A B$, dus geldt $A X \| B Y$, en analoog $A Y \| C X$. Dus $A X S Y$ is een parallellogram. Daarnaast geldt $\angle A B S=90^{\circ}=\angle A C S$, dus wegens Thales is $A S$ een middellijn van de omgeschreven cirkel van $\triangle A B C$. Het middelpunt $M$ van deze cirkel is daarom het midden van $A S$. De diagonalen van een parallellogram snijden elkaar middendoor, dus $X Y$ gaat door het midden van $A S$, dus door $M$. Zij nu $T$ op $X Y$ zodat $\angle A T X=90^{\circ}$. Er geldt dan $\angle A T X=\angle A C X$, dus $A T C X$ is een koordenvierhoek. Net zo is $A T B Y$ een koordenvierhoek. Nu geldt $\angle A T C=180^{\circ}-\angle A X C$, en wegens $A C \perp C X$ en $A B \perp A X$ geldt $\angle A X C=90^{\circ}-\angle C A X=\angle C A B$. Dus $\angle A T C=180^{\circ}-\angle C A B$. Analoog geldt ook $\angle A T B=180^{\circ}-\angle C A B$. Dus $\angle B T C=360^{\circ}-$ $\left(180^{\circ}-\angle C A B\right)-\left(180^{\circ}-\angle C A B\right)=2 \angle C A B$. Wegens de middelpuntsomtrekshoekstelling geldt bovendien $\angle B M C=2 \angle B A C$, dus $\angle B T C=\angle B M C$. Hieruit volgt dat $B M T C$ een koordenvierhoek is. Omdat $B P$ en $C P$ raaklijnen aan de omgeschreven cirkel van $\triangle A B C$ zijn, geldt $\angle M B P=$ $90^{\circ}=\angle M C P$, dus $M B P C$ is een koordenvierhoek met middellijn $M P$. Maar we hebben net gezien dat $T$ ook op deze cirkel ligt. Er geldt dus $\angle M T P=\angle M B P=90^{\circ}$. Aangezien nu $\angle A T M+\angle M T P=180^{\circ}$, ligt $T$ dus op $A P$. We concluderen dat $A P \perp X Y$.