{"year": "2008", "tier": "T1", "problem_label": "1", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Vind alle functies $f: \\mathbb{Z}_{>0} \\rightarrow \\mathbb{Z}_{>0}$ die voldoen aan\n\n$$\nf(f(f(n)))+f(f(n))+f(n)=3 n\n$$\n\nvoor alle $n \\in \\mathbb{Z}_{>0}$.", "solution": "Uit $f(m)=f(n)$ volgt $3 m=3 n$ dus $m=n$. Dus $f$ is injectief. Nu bewijzen we met volledige inductie naar $n$ dat $f(n)=n$ voor alle $n$.\nOmdat $f: \\mathbb{Z}_{>0} \\rightarrow \\mathbb{Z}_{>0}$ geldt $f(1) \\geq 1, f(f(1)) \\geq 1$ en $f(f(f(1))) \\geq 1$. Vullen we nu $n=1$ in de functievergelijking in, dan zien we dat\n\n$$\nf(f(f(1)))+f(f(1))+f(1)=3,\n$$\n\ndus moet overal gelijkheid gelden: $f(1)=f(f(1))=f(f(f(1)))=1$.\nZij nu $k \\geq 2$ en stel dat we voor alle $n0}$ ). Op elke kaart staat een positief geheel getal. De kaarten worden geschud en in een rij op tafel gelegd met de getallen zichtbaar. Een speler die aan de beurt is, mag ofwel de meest linker kaart ofwel de meest rechter kaart pakken. De spelers zijn om en om aan de beurt.\nJohan begint, dus Julian pakt uiteindelijk de laatste kaart. De score van Johan is de som van de getallen op de $n$ kaarten die hij heeft gepakt en voor Julian net zo. Bewijs dat Johan altijd een minstens even hoge score als Julian kan behalen.", "solution": "Zij $2 n$ het aantal kaarten en ga ervan uit dat de kaarten in de rij achtereenvolgens $a_{1}, a_{2}, \\ldots, a_{2 n}$ zijn. We bewijzen met inductie naar $n$ dat Johan dan altijd kan zorgen dat hij naar keuze alle oneven kaarten $a_{1}, a_{3}, a_{5}, \\ldots$ pakt of juist alle even kaarten $a_{2}, a_{4}, a_{6}, \\ldots$ Voor $n=1$ pakt Johan kaart $a_{1}$ als hij de oneven kaarten wil en kaart $a_{2}$ als hij de even kaarten wil. Stel we hebben het bewezen voor zekere $n$. Bekijk de kaarten $a_{1}$, $a_{2}, \\ldots, a_{2 n+2}$. Als Johan de oneven kaarten wil, pakt hij eerst $a_{1}$. Julian pakt vervolgens $a_{2}$ of $a_{2 n+2}$. Daarna blijft over de rij $b_{1}, b_{2}, \\ldots, b_{2 n}$. In het eerste geval geldt $b_{i}=a_{i+2}$ voor alle $i$ en kan Johan volgens de inductiehypothese alle oneven $b_{i}$ krijgen, wat hem samen met de kaart $a_{1}$ alle oneven kaarten oplevert. In het tweede geval geldt $b_{i}=a_{i+1}$ voor alle $i$ en kan Johan volgens de inductiehypothese alle even $b_{i}$ krijgen, wat hem samen met de kaart $a_{1}$ alle oneven kaarten oplevert. Johan kan dus zorgen dat hij alle oneven kaarten krijgt. Analoog kan hij ook zorgen dat hij alle even kaarten krijgt. Dit voltooit de inductie. Johan kan nu zorgen dat hij minstens evenveel punten scoort als Julian op de volgende manier: als de som van de getallen op de oneven kaarten minstens even groot is als de som van de getallen op de even kaarten, dan kiest hij alle oneven kaarten. Zo niet, dan kiest hij alle even kaarten.\n\n#", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2008-uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\n2. ", "solution_match": "\nOpgave 2."}} {"year": "2008", "tier": "T1", "problem_label": "3", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Laat $m, n$ positieve gehele getallen zijn. Bekijk een rijtje positieve gehele getallen $a_{1}$, $a_{2}, \\ldots, a_{n}$ dat voldoet aan $m=a_{1} \\geq a_{2} \\geq \\cdots \\geq a_{n} \\geq 1$. Voor $1 \\leq i \\leq m$ definiëren we\n\n$$\nb_{i}=\\#\\left\\{j \\in\\{1,2, \\ldots, n\\}: a_{j} \\geq i\\right\\}\n$$\n\ndus $b_{i}$ is het aantal getallen $a_{j}$ uit het rijtje waarvoor geldt $a_{j} \\geq i$. Voor $1 \\leq j \\leq n$ definiëren we\n\n$$\nc_{j}=\\#\\left\\{i \\in\\{1,2, \\ldots, m\\}: b_{i} \\geq j\\right\\}\n$$\n\ndus $c_{j}$ is het aantal getallen $b_{i}$ waarvoor geldt $b_{i} \\geq j$.\nVoorbeeld: bij het a-rijtje 5, 3, 3, 2, 1, 1 hoort het b-rijtje 6, 4, 3, 1, 1 .\n(a) Bewijs dat $a_{j}=c_{j}$ voor $1 \\leq j \\leq n$.\n(b) Bewijs dat voor $1 \\leq k \\leq m$ geldt: $\\sum_{i=1}^{k} b_{i}=k \\cdot b_{k}+\\sum_{j=b_{k}+1}^{n} a_{j}$.", "solution": "(a) Oplossing 1. Merk op dat voor $1 \\leq i \\leq m$ en $1 \\leq j \\leq n$ geldt:\n\n| $a_{j} \\geq i$ | $\\Longleftrightarrow$ |\n| ---: | :--- |\n| $a_{1}, a_{2}, \\ldots, a_{j} \\geq i$ | $\\Longleftrightarrow$ |\n| minstens $j$ van de $a^{\\prime}$ 'tjes zijn groter of gelijk aan $i$ | $\\Longleftrightarrow$ |\n| $b_{i} \\geq j$ | $\\Longleftrightarrow$ |\n| $b_{1}, b_{2}, \\ldots, b_{i} \\geq j$ | $\\Longleftrightarrow$ |\n| minstens $i$ van de $b^{\\prime}$ tjes zijn groter of gelijk aan $j$ | $\\Longleftrightarrow$ |\n| $c_{j} \\geq i$. | |\n\nZij nu $j$ gegeven. Neem dan eerst $i=a_{j}$, dan is de eerste regel waar, dus de laatste ook: $c_{j} \\geq a_{j}$. Neem andersom $i=c_{j}$, dan is de laatste regel waar, dus de eerste ook: $a_{j} \\geq c_{j}$. Nu volgt $a_{j}=c_{j}$.\n\nOplossing 2. Wegens de niet-stijgendheid geldt $b_{i}=\\max \\left\\{l: a_{l} \\geq i\\right\\}$ en $c_{j}=\\max \\{i$ : $\\left.b_{i} \\geq j\\right\\}$. Dus voor $1 \\leq j \\leq n$ geldt\n\n$$\nc_{j}=\\max \\left\\{i: b_{i} \\geq j\\right\\}=\\max \\left\\{i: \\max \\left\\{l: a_{l} \\geq i\\right\\} \\geq j\\right\\}\n$$\n\nVoor een vaste $i$ geldt:\n\n$$\n\\max \\left\\{l: a_{l} \\geq i\\right\\} \\geq j \\quad \\Longleftrightarrow \\quad a_{j} \\geq i\n$$\n\ndus $c_{j}=\\max \\left\\{i: a_{j} \\geq i\\right\\}=a_{j}$.\n(b) Oplossing 1. Voor $1 \\leq k \\leq m$ geldt\n\n$$\n\\sum_{i=1}^{k}\\left(b_{i}-b_{k}\\right)=\\sum_{i=1}^{k}\\left(\\#\\left\\{l: a_{l} \\geq i\\right\\}-\\#\\left\\{l: a_{l} \\geq k\\right\\}\\right)=\\sum_{i=1}^{k} \\#\\left\\{l: k>a_{l} \\geq i\\right\\}\n$$\n\nElk element $a_{l}$ uit de rij (met $k>a_{l}$ ) wordt hierin precies $a_{l}$ maal geteld (namelijk voor elke $i \\leq a_{l}$ ) dus dit is niets anders dan de som van al dergelijke $a_{l}$. Nu is (zie oplossing 1 van onderdeel a) $k \\leq a_{l}$ dan en slechts dan als $l \\leq b_{k}$, dus $k>a_{l}$ dan en slechts dan als $l>b_{k}$, dus\n\n$$\n\\sum_{i=1}^{k}\\left(b_{i}-b_{k}\\right)=\\sum_{l: k>a_{l}} a_{l}=\\sum_{l=b_{k}+1}^{n} a_{l}\n$$\n\nen hier volgt het te bewijzen direct uit.\nOplossing 2. We bewijzen dit met inductie naar $k$. Voor $k=1$ staat er\n\n$$\nb_{1} \\stackrel{?}{=} b_{1}+\\sum_{j=b_{1}+1}^{n} a_{j}\n$$\n\nen dit is waar omdat $b_{1}=\\#\\left\\{j: a_{j} \\geq 1\\right\\}=n$, dus de som aan de rechterkant is leeg. Stel nu dat we het bewezen hebben voor zekere $k$ met $1 \\leq k \\leq m-1$. Dan geldt\n\n$$\n\\begin{aligned}\n\\sum_{i=1}^{k+1} b_{i} & =\\sum_{i=1}^{k} b_{i}+b_{k+1} \\\\\n& \\stackrel{\\mathrm{IH}}{=} k \\cdot b_{k}+\\sum_{j=b_{k}+1}^{n} a_{j}+b_{k+1} \\\\\n& =(k+1) \\cdot b_{k+1}+\\sum_{j=b_{k+1}+1}^{n} a_{j}+k\\left(b_{k}-b_{k+1}\\right)-\\sum_{j=b_{k+1}+1}^{b_{k}} a_{j} \\\\\n& =(k+1) \\cdot b_{k+1}+\\sum_{j=b_{k+1}+1}^{n} a_{j}+k\\left(b_{k}-b_{k+1}\\right)-\\sum_{j=b_{k+1}+1}^{b_{k}} k \\\\\n& =(k+1) \\cdot b_{k+1}+\\sum_{j=b_{k+1}+1}^{n} a_{j} .\n\\end{aligned}\n$$", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2008-uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\n3. ", "solution_match": "# Opgave 3."}} {"year": "2008", "tier": "T1", "problem_label": "4", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Zij $n$ een geheel getal zo dat $\\sqrt{1+12 n^{2}}$ een geheel getal is.\n\nBewijs dat $2+2 \\sqrt{1+12 n^{2}}$ het kwadraat van een geheel getal is.", "solution": "Zij a zo dat $1+12 n^{2}=a^{2}$. We kunnen dit herschrijven als\n\n$$\n12 n^{2}=a^{2}-1=(a+1)(a-1)\n$$\n\nDe linkerkant is deelbaar door 2, dus de rechterkant ook, dus $a$ is oneven. Omdat links een even aantal factoren 2 staat, moeten zowel $a+1$ en $a-1$ deelbaar zijn door een oneven aantal factoren 2 (de een is namelijk deelbaar door precies één factor 2). Verder geldt $\\operatorname{ggd}(a+1, a-1)=2$, dus alle oneven priemfactoren die voorkomen in $n$, komen voor in precies één van $a+1$ en $a-1$. Voor de priemfactoren groter dan 3 geldt dat ze rechts een even aantal keer voorkomen; de priemfactor 3 komt een oneven aantal keer voor. Concluderend zijn er twee mogelijkheden:\n\n$$\na+1=6 b^{2} \\quad \\text { en } \\quad a-1=2 c^{2}\n$$\n\nvoor zekere gehele $b$ en $c$ met $b c=n$ of\n\n$$\na+1=2 b^{2} \\quad \\text { en } \\quad a-1=6 c^{2}\n$$\n\nvoor zekere gehele $b$ en $c$ met $b c=n$. Bekijk eerst het eerste geval. Dan is $a+1$ deelbaar door 3 en dus $a-1 \\equiv 1 \\bmod 3$. Maar daaruit volgt $c^{2} \\equiv 2 \\bmod 3$ en dat is onmogelijk. Dus het tweede geval moet gelden. Maar dan is\n\n$$\n2+2 \\sqrt{1+12 n^{2}}=2+2 a=2(a+1)=4 b^{2}=(2 b)^{2},\n$$\n\nen dat is wat we moesten bewijzen.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2008-uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\n4. ", "solution_match": "\nOpgave 4."}} {"year": "2008", "tier": "T1", "problem_label": "5", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Laat $\\triangle A B C$ een rechthoekige driehoek zijn met $\\angle B=90^{\\circ}$ en $|A B|>|B C|$; en zij $\\Gamma$ de halve cirkel met middellijn $A B$ aan de kant van $A B$ waar ook $C$ ligt. Zij punt $P$ op $\\Gamma$ zo dat $|B P|=|B C|$ en zij $Q$ op lijnstuk $A B$ zo dat $|A P|=|A Q|$. Bewijs dat het midden van $C Q$ op $\\Gamma$ ligt.", "solution": "Oplossing 1. Zij $S$ het snijpunt van $\\Gamma$ en $C Q$. We moeten bewijzen dat $|Q S|=|S C|$.\nDe lijn $B C$ is een raaklijn aan $\\Gamma$, dus geldt $\\angle C B P=\\angle B A P=\\angle Q A P$. Omdat de driehoeken $C B P$ en $Q A P$ beide gelijkbenig zijn, zijn ze gelijkvormig. Zij $\\alpha=\\angle B C P$, dan geldt\n\n$$\n\\alpha=\\angle B C P=\\angle C P B=\\angle Q P A=\\angle A Q P\n$$\n\nWe zien nu dat\n\n$$\n\\angle C P Q=\\angle C P B+\\angle B P Q=\\angle Q P A+\\angle B P Q=\\angle B P A=90^{\\circ} .\n$$\n\nDus $P$ ligt, net als $B$, op de cirkel met middellijn $C Q$. Punt $S$ ligt op deze middellijn en we willen laten zien dat $S$ het middelpunt van de cirkel is, dus het is voldoende om te laten zien dat\n\n$$\n\\angle B S P=2 \\alpha=2 \\angle B C P .\n$$\n\nIn koordenvierhoek $Q B C P$ geldt $\\angle C P B=\\angle C Q B$, dus\n$2 \\alpha=\\angle C Q B+\\angle A Q P=180^{\\circ}-\\angle P Q C=180^{\\circ}-\\angle P B C=90^{\\circ}+\\angle Q B C-\\angle P B C=90^{\\circ}+\\angle Q B P$.\nIn koordenvierhoek $A B S P$, waarin $A B$ de middellijn is, zien we\n\n$$\n90^{\\circ}+\\angle Q B P=90^{\\circ}+\\angle A B P=\\angle B S A+\\angle A S P=\\angle B S P,\n$$\n\nzodat we kunnen concluderen\n\n$$\n2 \\alpha=\\angle B S P\n$$\n\nen dat is wat we wilden bewijzen.\n\nOplossing 2. Merk eerst op (net als in de vorige oplossing) dat de twee gelijkbenige driehoeken gelijkvormig zijn. Omdat $B C$ loodrecht op $A B$ staat, is de ene driehoek $90^{\\circ}$ gedraaid ten opzichte van de andere. Zij $l_{1}$ de bissectrice van $\\angle P B C$ en $l_{2}$ de bissectrice $\\operatorname{van} \\angle P A Q$. Deze bissectrices staan nu loodrecht op elkaar. Zij $T$ het snijpunt van $l_{1}$ en $l_{2}$. Dan geldt dus $\\angle A T B=90^{\\circ}$, dus $T$ ligt op $\\Gamma$.\nNu is $P$ het beeld van $C$ onder spiegeling in $l_{1}$ en $Q$ is het beeld van $P$ onder spiegeling in $l_{2}$. De samenstelling van deze twee spiegelingen is de rotatie in $T$ om $2 \\cdot 90=180$ graden. Onder deze rotatie gaat $C$ over in $Q$, dus $C T Q$ is een rechte lijn. Dus $T=S$. Wegens de rotatie geldt ook $|T C|=|T Q|$, dus $S$ is het midden van $C Q$.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2008-uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\n5. ", "solution_match": "\nOpgave 5."}}