{"year": "2019", "tier": "T1", "problem_label": "1", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Gegeven is een kwadratisch polynoom $P(x)$ met twee verschillende reële nulpunten. Voor alle reële getallen $a$ en $b$ met $|a|,|b| \\geq 2017$ geldt dat $P\\left(a^{2}+b^{2}\\right) \\geq P(2 a b)$. Bewijs dat minstens één van de nulpunten van $P$ negatief is.", "solution": "Schrijf $P(x)=c(x-d)(x-e)$, waarbij $d$ en $e$ de nulpunten zijn, dus $d \\neq e$. Verder geldt $c \\neq 0$, anders is $P$ niet kwadratisch. Voor $|a|,|b| \\geq 2017$ volgt nu uit $P\\left(a^{2}+b^{2}\\right) \\geq P(2 a b)$ dat\n\n$$\nc\\left(a^{2}+b^{2}-d\\right)\\left(a^{2}+b^{2}-e\\right) \\geq c(2 a b-d)(2 a b-e)\n$$\n\nWe werken haakjes uit en strepen links en rechts de term cde weg:\n\n$$\nc\\left(\\left(a^{2}+b^{2}\\right)^{2}-(d+e)\\left(a^{2}+b^{2}\\right)\\right) \\geq c\\left((2 a b)^{2}-(d+e) \\cdot 2 a b\\right) .\n$$\n\nWe halen $c(2 a b)^{2}$ naar links, zodat daar een merkwaardig product ontstaat; en we zetten de termen met een factor $(d+e)$ samen rechts. Nu vinden we\n\n$$\nc\\left(a^{2}+b^{2}-2 a b\\right)\\left(a^{2}+b^{2}+2 a b\\right) \\geq c(d+e)\\left(a^{2}+b^{2}-2 a b\\right)\n$$\n\nWe factoriseren beide kanten:\n\n$$\nc(a-b)^{2}(a+b)^{2} \\geq c(d+e)(a-b)^{2}\n$$\n\nVoor $a \\neq b$ is $(a-b)^{2}>0$, dus kunnen we daardoor delen, zonder dat het teken omklapt. We krijgen\n\n$$\nc(a+b)^{2} \\geq c(d+e)\n$$\n\nWe onderscheiden nu twee gevallen. Stel eerst dat $c>0$. Dan kunnen we links en rechts door $c$ delen en klapt het teken niet om. Als we vervolgens kiezen voor $a=2017, b=-2017$ krijgen we $0 \\geq d+e$. Omdat $d \\neq e$ volgt hieruit dat minstens één van $d$ en $e$ negatief moet zijn.\nNu het tweede geval: $c<0$. Dan klapt het teken om bij deling door $c$ en krijgen we $(a+b)^{2} \\leq d+e$ voor alle $a \\neq b$ met $|a|,|b| \\geq 2017$. Door het variëren van $a$ en $b$ kan de linkerkant willekeurig groot worden, terwijl de rechterkant constant is. Tegenspraak.\n\nWe concluderen dat het eerste geval moet gelden en dus minstens één van de nulpunten van $P$ negatief is.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2019-C_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 1.", "solution_match": "\nOplossing I."}} {"year": "2019", "tier": "T1", "problem_label": "1", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Gegeven is een kwadratisch polynoom $P(x)$ met twee verschillende reële nulpunten. Voor alle reële getallen $a$ en $b$ met $|a|,|b| \\geq 2017$ geldt dat $P\\left(a^{2}+b^{2}\\right) \\geq P(2 a b)$. Bewijs dat minstens één van de nulpunten van $P$ negatief is.", "solution": "Schrijf $P(x)=c(x-d)(x-e)$, waarbij $d$ en $e$ de nulpunten zijn, dus $d \\neq e$. Verder geldt $c \\neq 0$, anders is $P$ niet kwadratisch. We onderscheiden twee gevallen. Stel eerst dat $c>0$. We nemen $b=-a=2017$ in $P\\left(a^{2}+b^{2}\\right) \\geq P(2 a b)$, waardoor we krijgen $P\\left(2 a^{2}\\right) \\geq P\\left(-2 a^{2}\\right)$, dus\n\n$$\nc\\left(2 a^{2}-d\\right)\\left(2 a^{2}-e\\right) \\geq c\\left(-2 a^{2}-d\\right)\\left(-2 a^{2}-2\\right)\n$$\n\nWe delen door $c>0$, werken haakjes uit en strepen links en rechts de termen $4 a^{4}$ en de weg:\n\n$$\n-(d+e) \\cdot 2 a^{2} \\geq(d+e) \\cdot 2 a^{2}\n$$\n\noftewel\n\n$$\n4 a^{2}(d+e) \\leq 0\n$$\n\nWe kunnen delen door $4 a^{2}=4 \\cdot 2017^{2}$, zodat we vinden dat $d+e \\leq 0$. Omdat de twee nulpunten verschillend zijn, moet nu minstens één van beide negatief zijn.\nStel nu dat $c<0$. Dan hebben we te maken met een bergparabool, die rechts voorbij de top dalend is. Kies nu $a \\neq b$ met $a, b \\geq 2017$ en $a$ en $b$ rechts van de top, dan geldt volgens de ongelijkheid van het rekenkundig-meetkundig $a^{2}+b^{2}>2 a b$ (geen gelijkheid want $a \\neq b$ ). Omdat $a$ en $b$ positief en groter dan 1 zijn en rechts van de top liggen, geldt $2 a b>a$, dus ligt ook $2 a b$ rechts van de top (en daarmee $a^{2}+b^{2}$ ook). Dus omdat $P$ dalend is, geldt $P\\left(a^{2}+b^{2}\\right)
2 n$. Er geldt $a+2 b=5 n$, dus $a=5 n-2 b$, waaruit volgt dat $G \\leq a+b+a=10 n-4 b+b=10 n-3 b<10 n-6 n=4 n$.\n\nGeval 2a: $b \\neq c$ en $c-a \\geq n$. Nu geldt $G \\leq a+b+a=(a+b+c)-(c-a)=5 n-(c-a) \\leq$ $5 n-n=4 n$.\n\nGeval 2b: $b \\neq c$ en $c-a