{"year": "2020", "tier": "T1", "problem_label": "1", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "In scherphoekige driehoek $A B C$ is $I$ het middelpunt van de ingeschreven cirkel en geldt $|A C|+|A I|=|B C|$. Bewijs dat $\\angle B A C=2 \\angle A B C$.\n![](https://cdn.mathpix.com/cropped/2024_12_06_506b26b7f0e4ac9605d6g-1.jpg?height=562&width=917&top_left_y=1123&top_left_x=273)", "solution": "Definieer een punt $D$ op zijde $B C$ zodat $|C D|=|A C|$. Vanwege het gegeven dat $|B C|=|A C|+|A I|$ ligt $D$ dan inwendig op zijde $B C$ en geldt $|B D|=|A I|$. Omdat driehoek $A C D$ nu gelijkbenig is, is bissectrice $C I$ ook middelloodlijn van $A D$, dus zijn $A$ en $D$ elkaars gespiegelde in $C I$. Hieruit volgt $\\angle C D I=\\angle C A I=\\angle I A B$, dus $180^{\\circ}-\\angle B D I=\\angle I A B$, wat betekent dat $A B D I$ een koordenvierhoek is. In deze koordenvierhoek zijn $B D$ en $A I$ even lang. Volgens de stelling van Julian zijn dan $A B$ en $I D$ evenwijdig. Dus $A B D I$ is een gelijkbenig trapezium en daarvan zijn de basishoeken gelijk. Dus $\\angle C B A=\\angle D B A=\\angle B A I=\\frac{1}{2} \\angle B A C$, waaruit het gevraagde direct volgt.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2020-C2020_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 1.", "solution_match": "\nOplossing I."}} {"year": "2020", "tier": "T1", "problem_label": "1", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "In scherphoekige driehoek $A B C$ is $I$ het middelpunt van de ingeschreven cirkel en geldt $|A C|+|A I|=|B C|$. Bewijs dat $\\angle B A C=2 \\angle A B C$.\n![](https://cdn.mathpix.com/cropped/2024_12_06_506b26b7f0e4ac9605d6g-1.jpg?height=562&width=917&top_left_y=1123&top_left_x=273)", "solution": "Definieer een punt $E$ op lijn $A C$ zodat $A$ tussen $E$ en $C$ ligt en $|A E|=|A I|$. Vanwege het gegeven dat $|B C|=|A C|+|A I|$ geldt dan $|B C|=|C E|$. Dus driehoeken $E C I$ en $B C I$ hebben zijden $|B C|=|C E|$ en $|C I|$ even lang en er geldt $\\angle E C I=\\angle B C I$ vanwege de bissectrice $C I$. Dus $\\triangle E C I \\cong \\triangle B C I$ (ZHZ). In gelijkbenige driehoek $E A I$\ngeldt $\\angle I E A=\\frac{1}{2}\\left(180^{\\circ}-\\angle E A I\\right)=\\frac{1}{2} \\angle C A I$. Dus $\\angle A B C=2 \\angle I B C=2 \\angle I E C=2 \\angle I E A=$ $\\angle C A I=\\frac{1}{2} \\angle B A C$, waaruit het gevraagde direct volgt.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2020-C2020_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 1.", "solution_match": "\nOplossing II."}} {"year": "2020", "tier": "T1", "problem_label": "2", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Bepaal alle polynomen $P(x)$ met reële coëfficiënten waarvoor geldt\n\n$$\nP\\left(x^{2}\\right)+2 P(x)=P(x)^{2}+2 .\n$$", "solution": "Herschrijf de gegeven vergelijking naar\n\n$$\nP\\left(x^{2}\\right)-1=(P(x)-1)^{2} \\text {. }\n$$\n\nSchrijf $Q(x)=P(x)-1$, dan is $Q$ een polynoom met reële coëfficiënten waarvoor geldt dat\n\n$$\nQ\\left(x^{2}\\right)=Q(x)^{2}\n$$\n\nStel dat $Q$ constant is, zeg $Q(x)=c$ met $c \\in \\mathbb{R}$. Dan geldt $c=c^{2}$, dus $c=0$ of $c=1$. Beide mogelijkheden voldoen. We kunnen nu verder aannemen dat $Q$ niet constant is, dus kunnen we schrijven $Q(x)=b x^{n}+R(x)$ met $n \\geq 1, b \\neq 0$ en $R(x)$ een polynoom met reële coëfficiënten van graad hoogstens $n-1$. De polynoomvergelijking wordt nu\n\n$$\nb x^{2 n}+R\\left(x^{2}\\right)=b^{2} x^{2 n}+2 b x^{n} \\cdot R(x)+R(x)^{2} .\n$$\n\nDoor de coëfficiënten van $x^{2 n}$ links en rechts te vergelijken, krijgen we $b=b^{2}$. Aangezien $b \\neq 0$ volgt daaruit dat $b=1$. Als we nu links en rechts $x^{2 n}$ aftrekken, vinden we\n\n$$\nR\\left(x^{2}\\right)=2 x^{n} \\cdot R(x)+R(x)^{2} .\n$$\n\nAls $R$ niet het nulpolynoom is, dan heeft hij een graad $m \\geq 0$. Er geldt $m2 m$. Tegenspraak. Dus $R$ moet het nulpolynoom zijn, waaruit volgt dat $Q(x)=x^{n}$. Dit voldoet inderdaad aan de polynoomvergelijking voor $Q$.\n\nDit geeft voor $P$ de oplossingen $P(x)=1, P(x)=2$ en $P(x)=x^{n}+1$ met $n \\geq 1$.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2020-C2020_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 2.", "solution_match": "\nOplossing I."}} {"year": "2020", "tier": "T1", "problem_label": "2", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Bepaal alle polynomen $P(x)$ met reële coëfficiënten waarvoor geldt\n\n$$\nP\\left(x^{2}\\right)+2 P(x)=P(x)^{2}+2 .\n$$", "solution": "Stel dat $P$ constant is, zeg $P(x)=c$ met $c \\in \\mathbb{R}$. Dan geldt $c+2 c=c^{2}+2$, dus $c^{2}-3 c+2=0$, dus $(c-2)(c-1)=0$, dus $c=2$ of $c=1$. Beide mogelijkheden voldoen. We kunnen nu verder aannemen dat $P$ niet constant is, dus kunnen we schrijven $P(x)=a_{n} x^{n}+a_{n-1} x^{n-1}+\\ldots+a_{1} x+a_{0}$ met $n \\geq 1$ en $a_{n} \\neq 0$. Door nu links en rechts de coëfficiënten van $x^{2 n}$ te vergelijken, zien we dat $a_{n}=a_{n}^{2}$. Omdat $a_{n} \\neq 0$, volgt hieruit dat $a_{n}=1$.\n\nWe bewijzen nu met inductie naar $k$ dat $a_{k}=0$ voor alle $1 \\leq k \\leq n-1$. Als inductiehypothese nemen we aan dat voor zekere $k$ met $1 \\leq k \\leq n-1$ geldt dat $a_{i}=0$ voor alle\n$k0$. In $P(x)^{2}$ is de coëfficiënt van $x^{n+k}$ gelijk aan $\\sum_{j=k}^{n} a_{j} a_{n+k-j}$. Omdat $a_{i}=0$ voor $kb$. In kolom $n-b$ zit een rood vakje in rij $a$ (want $a+n-b>n$ ) maar niet in rij $b$. In de rij direct aan de andere kant van rij $b$ (als deze bestaat) mag daarom geen rood vakje in kolom $n-b$ zitten, want anders zouden de rode vakjes in kolom $n-b$ niet aaneengesloten zijn en kan de\ntegel met nummer $n-b$ hier niet liggen. Het rijnummer van deze rij moet daarom kleiner dan $b$ zijn. We concluderen dat de rijnummers niet eerst kunnen dalen en daarna weer stijgen. Boven en onder rij $n$ moet wel een rij met een kleiner nummer zitten (of helemaal geen rij meer) dus dalen vanaf daar de rijnummers allebei de kanten op. We zien dat de rijnummers van boven naar beneden eerst oplopend moeten zijn tot aan rij $n$ en daarna aflopend. Hetzelfde kunnen we bewijzen voor de kolomnummers.\n\nAndersom moeten we bewijzen dat als de rijnummers en kolomnummers eerst oplopend en dan aflopend zijn, dat we dan de horizontale en verticale tegels allebei neer kunnen leggen. Hiervoor kleuren we de vakje $(i, j)$ rood dan en slechts dan als $i+j \\geq n+1$. Voor vaste $i$ zijn de rode vakjes dus de vakjes $(i, j)$ met $j \\geq n+1-i$; vanwege de vorm van de kolomnummers zijn die kolommen aaneengesloten. Dus in elke rij zijn de rode vakjes aaneengesloten. We kunnen dus de horizontale tegels precies op de rode vakjes leggen. Net zo goed lukt dit met de verticale tegels. We hadden bij dezelfde rij- en kolomnummers niet een andere kleuring kunnen kiezen waarvoor de betegeling werkt, want we weten al dat bij elke goede betegeling geldt dat $(i, j)$ rood is dan en slechts dan als $i+j \\geq n+1$.\n\nAl met al zijn we dus op zoek naar het aantal manieren om zowel de rij- als de kolomnummers te kiezen in een volgorde die eerst oplopend en daarna aflopend is; bij elk van die keuzes hoort precies één manier om de rode vakjes te kleuren die aan de voorwaarde voldoet. Het aantal manieren om de getallen 1 tot en met $n$ in een volgorde te zetten die eerst oplopend en dan aflopend is, is gelijk aan het aantal deelverzamelingen van $\\{1,2, \\ldots, n-1\\}$, namelijk de deelverzameling van getallen die vóór het getal $n$ komen; deze kunnen maar op één manier gesorteerd worden (oplopend) en de rest van de getallen moet juist aflopend gesorteerd worden en na $n$ neergezet worden. Het aantal deelverzamelingen is $2^{n-1}$. Dus het totaal aantal kleuringen dat aan de opgave voldoet is $\\left(2^{n-1}\\right)^{2}=2^{2 n-2}$.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2020-C2020_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 3.", "solution_match": "\nOplossing I."}} {"year": "2020", "tier": "T1", "problem_label": "3", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Voor een positief geheel getal $n$ bekijken we een $n \\times n$-bord en tegels met afmetingen $1 \\times 1,1 \\times 2, \\ldots, 1 \\times n$. Op hoeveel manieren kunnen er precies $\\frac{1}{2} n(n+1)$ vakjes van het bord rood worden gekleurd, zodat de rode vakjes allemaal bedekt kunnen worden door de $n$ tegels allemaal horizontaal te plaatsen, maar ook door de $n$ tegels allemaal verticaal te plaatsen? Twee kleuringen die niet identiek zijn, maar door draaiing of spiegeling van het bord in elkaar overgaan, tellen als verschillend.", "solution": "Net als in oplossing I leiden we af dat er in de horizontale bedekking in elke rij precies één tegel moet liggen en in de verticale bedekking in elke kolom precies één tegel. Bekijk nu eerst een volgorde voor de tegels in de verticale bedekking. We gaan afleiden aan welke eisen deze volgorde moet voldoen en hoeveel mogelijkheden er per volgorde zijn om de tegels neer te leggen (en daarmee de kleuring te kiezen).\n\nBekijk de kolom met de $n$-tegel. Deze tegel kan maar op één manier in deze kolom liggen. Bekijk vervolgens een willekeurige andere tegel met lengte $i$. Deze bedekt $i$ vakjes in zijn kolom. In elke rij moeten de rode vakjes aaneengesloten zijn, dus in de $i$ rijen waarin de $i$-tegel ligt, zijn er rode vakjes vanaf de kolom met de $i$-tegel tot en met de kolom met de $n$-tegel. In de kolommen daartussen liggen dus tegels met lengte minstens $i$. We zien dus dat de tegelnummers van links naar rechts oplopend moeten zijn tot aan de $n$-tegel en daarna juist aflopend. Het aantal manieren om de verticale tegels in zo'n volgorde te kiezen, is $2^{n-1}$ (zie het einde van oplossing I).\n\nWe bekijken nu één van deze volgordes. We gaan de verticale tegels in de kolommen leggen en tegelijkertijd de vakjes die ze bedekken, rood kleuren. De $(n-1)$-tegel kan op twee manieren in zijn kolom liggen. De enige rij waarin hij niet ligt, moet nu wel de rij zijn waarin maar één rood vakje komt, want alle andere rijen hebben al minstens twee rode vakjes. In deze rij (de bovenste of onderste) mag dus geen tegel meer gelegd worden; we noemen deze rij klaar. Vervolgens zijn er daardoor twee manieren om de $(n-2)$-tegel in zijn kolom te leggen, want die moet binnen de $n-1$ rijen van de $(n-1)$-tegel vallen. Na het neerleggen van de ( $n-2$ )-tegel is er een tweede rij klaar, namelijk de tweede rij waar deze tegel niet in ligt en waar dus precies twee rode vakjes zijn. Deze twee rode vakjes zijn nu automatisch aaneengesloten. De rest van de rijen (die nog niet klaar zijn) hebben nu minstens drie rode vakjes. Hierna moet de $(n-3)$-tegel binnen de $n-2$ rijen van de $(n-2)$-tegel liggen, waardoor er een derde rij klaar is, namelijk die met precies drie rode vakjes. Deze rode vakjes zijn ook weer aaneengesloten. Enzovoorts. Voor elke volgende tegel zijn er dus precies twee opties om hem neer te leggen. In totaal geeft dit $2^{n-1}$ mogelijkheden. Nadat we voor elke tegel een keuze hebben gemaakt, zijn de aantallen rode vakjes per rij precies de getallen $1,2,3, \\ldots, n$ en liggen in alle rijen de rode vakjes aaneengesloten. Dit betekent dat het lukt om de horizontale tegels precies op de rode vakjes te leggen. We hebben in totaal $2^{n-1} \\cdot 2^{n-1}=2^{2 n-2}$ mogelijke manieren waarop we nu het bord gekleurd hebben. Elk van deze manieren voldoet aan alle voorwaarden. Dus het totaal aantal kleuringen dat aan de opgave voldoet is $2^{2 n-2}$.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2020-C2020_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 3.", "solution_match": "\nOplossing II."}} {"year": "2020", "tier": "T1", "problem_label": "4", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Laat $\\mathrm{a}, \\mathrm{b} \\geq 2$ positieve gehele getallen met $\\operatorname{ggd}(\\mathrm{a}, \\mathrm{b})=1$ zijn. Zij r de kleinste positieve waarde die aangenomen wordt bij een uitdrukking van de vorm $\\frac{a}{b}-\\frac{c}{d}$, met C en d positieve gehele getallen die voldoen aan $\\mathbf{c} \\leq \\mathrm{a}$ en $\\mathrm{d} \\leq \\mathrm{b}$ Bewijs dat $\\frac{1}{r}$ geheel is.", "solution": "We laten eerst zien dat het mogelijk is om $\\mathbf{C}$ en $\\mathbf{d}$ zo te kiezen dat $\\frac{a}{b}-\\frac{c}{d}=\\frac{1}{b d}$.\nOmdat $\\operatorname{ggd}(\\mathrm{a}, \\mathrm{b})=1$, bestaat er een multiplicatieve inverse $\\mathrm{b}^{-1}$ van b modulo a . Kies nu c met $1 \\leq \\mathrm{c} \\leq \\mathrm{a}$ zo dat $\\mathrm{c} \\equiv-\\mathrm{b}^{-1} \\bmod \\mathrm{a}$. Er geldt dan $\\mathrm{b} \\equiv-1 \\bmod \\mathrm{a}$, dus $\\mathrm{a} \\mid \\mathrm{bc}+1$. Definieer vervolgens $\\mathrm{d}=\\frac{b c+1}{a}$, dan is d een positief geheel getal. Er geldt $\\mathrm{d}=\\frac{b c+1}{a} \\leq \\frac{b a+1}{a}=\\mathrm{b}+\\frac{1}{a}$. Omdat $\\mathrm{a} \\geq 2$ en d een geheel getal is, volgt hieruit $\\mathrm{d} \\leq \\mathrm{b}$ Aan alle voorwaarden is daarom voldaan. Er geldt nu $\\frac{a}{b}-\\frac{c}{d}=\\frac{a d-b c}{b d}=\\frac{b c+1-b c}{b d}=\\frac{1}{b d}$.\n\nAls dit de kleinst mogelijke uitkomst positieve is, dan zijn we klaar, want dan geldt $\\frac{1}{r}=\\mathrm{bd}$ en dat is geheel. We willen dus laten zien dat er geen kleinere positieve uitkomst mogelijk is. Neem C en d zoals hierboven en stel dat er positieve gehele getallen $\\mathrm{c}^{\\prime} \\leq \\mathrm{a}$ en $\\mathrm{d}^{\\prime} \\leq \\mathrm{b}$ bestaan zodat $0<\\frac{a}{b}-\\frac{c^{\\prime}}{d^{\\prime}}<\\frac{1}{b d}$. We gaan een tegenspraak afleiden.\n\nSchrijf $\\mathbf{x}=\\mathrm{ad}-\\mathrm{bc}^{\\prime}$, dan geldt $\\frac{a}{b}-\\frac{c^{\\prime}}{d^{\\prime}}=\\frac{x}{b d^{\\prime}}$, dus $\\mathbf{x b d}<\\mathrm{bd}$, waaruit volgt dat $\\mathbf{x d}<\\mathrm{d}^{\\prime}$. We weten verder dat $x>0$. Dus $0