{"year": "2021", "tier": "T1", "problem_label": "1", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "De rij positieve gehele getallen $a_{0}, a_{1}, a_{2}, \\ldots$ is gedefinieerd door $a_{0}=3$ en\n\n$$\na_{n+1}-a_{n}=n\\left(a_{n}-1\\right)\n$$\n\nvoor alle $n \\geq 0$. Bepaal alle gehele getallen $m \\geq 2$ waarvoor geldt dat $\\operatorname{ggd}\\left(m, a_{n}\\right)=1$ voor alle $n \\geq 0$.", "solution": "Een directe formule voor de rij wordt gegeven door $a_{n}=2 \\cdot n!+1$ voor $n \\geq 0$. (We gebruiken de gangbare definitie $0!=1$, die voldoet aan $1!=1 \\cdot 0$ !, zoals ook voor grotere $n$ geldt $n!=n \\cdot(n-1)!$.) We bewijzen de directe formule met inductie. Er geldt $a_{0}=3$ en dat is gelijk aan $2 \\cdot 0!+1$. Stel nu dat voor zekere $k \\geq 0$ geldt $a_{k}=2 \\cdot k!+1$, dan is\n\n$$\na_{k+1}=a_{k}+k\\left(a_{k}-1\\right)=2 \\cdot k!+1+k \\cdot 2 \\cdot k!=2 \\cdot k!\\cdot(1+k)+1=2 \\cdot(k+1)!+1\n$$\n\nDit voltooit de inductie.\n\nWe zien dat $a_{n}$ altijd oneven is, dus $\\operatorname{ggd}\\left(2, a_{n}\\right)=1$ voor alle $n$. Daaruit volgt ook dat $\\operatorname{ggd}\\left(2^{i}, a_{n}\\right)=1$ voor alle $i \\geq 1$. Dus $m=2^{i}$ met $i \\geq 1$ voldoet. Neem nu een $m \\geq 2$ die geen tweemacht is. Dan heeft $m$ een oneven priemdeler, zeg $p$. We laten zien dat $p$ een deler is van $a_{p-3}$. Wegens de stelling van Wilson geldt $(p-1)!\\equiv-1 \\bmod p$. Dus\n$2 \\cdot(p-3)!\\equiv 2 \\cdot(p-1)!\\cdot((p-2)(p-1))^{-1} \\equiv 2 \\cdot-1 \\cdot(-2 \\cdot-1)^{-1} \\equiv 2 \\cdot-1 \\cdot 2^{-1} \\equiv-1 \\quad \\bmod p$.\nDus inderdaad geldt $a_{p-3}=2 \\cdot(p-3)!+1 \\equiv 0 \\bmod p$. We concluderen dat $m$ niet voldoet. Dus de enige waarden van $m$ die voldoen zijn de tweemachten.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2021-C2021_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 1.", "solution_match": "\nOplossing."}} {"year": "2021", "tier": "T1", "problem_label": "2", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Vind alle viertallen $\\left(x_{1}, x_{2}, x_{3}, x_{4}\\right)$ van reële getallen zodat de volgende zes gelijkheden gelden:\n\n$$\n\\begin{aligned}\n& x_{1}+x_{2}=x_{3}^{2}+x_{4}^{2}+6 x_{3} x_{4}, \\\\\n& x_{1}+x_{3}=x_{2}^{2}+x_{4}^{2}+6 x_{2} x_{4}, \\\\\n& x_{1}+x_{4}=x_{2}^{2}+x_{3}^{2}+6 x_{2} x_{3}, \\\\\n& x_{2}+x_{3}=x_{1}^{2}+x_{4}^{2}+6 x_{1} x_{4}, \\\\\n& x_{2}+x_{4}=x_{1}^{2}+x_{3}^{2}+6 x_{1} x_{3}, \\\\\n& x_{3}+x_{4}=x_{1}^{2}+x_{2}^{2}+6 x_{1} x_{2} .\n\\end{aligned}\n$$", "solution": "De eerste twee vergelijkingen van elkaar afhalen geeft $x_{2}-x_{3}=x_{3}^{2}-x_{2}^{2}+$ $6 x_{4}\\left(x_{3}-x_{2}\\right)$, wat we kunnen ontbinden als $0=\\left(x_{3}-x_{2}\\right)\\left(x_{3}+x_{2}+1+6 x_{4}\\right)$. We zien dat $x_{2}=x_{3}$ of $x_{2}+x_{3}+1+6 x_{4}=0$. Analoog geldt ook dat $x_{2}=x_{3}$ of $x_{2}+x_{3}+1+6 x_{1}=0$. Dus als $x_{2} \\neq x_{3}$, dan geldt in beide gevallen de tweede gelijkheid; die van elkaar afhalen geeft $x_{1}=x_{4}$. We conluderen dat $x_{2}=x_{3}$ of $x_{1}=x_{4}$. Analoog geldt voor elke permutatie $(i, j, k, l) \\operatorname{van}(1,2,3,4)$ dat $x_{i}=x_{j}$ of $x_{k}=x_{l}$.\n\nWe bewijzen nu dat minstens drie van de $x_{i}$ gelijk aan elkaar zijn. Als ze alle vier gelijk zijn, is dat natuurlijk waar. Anders zijn er twee die ongelijk zijn, zeg zonder verlies van algemeenheid $x_{1} \\neq x_{2}$. Dan geldt $x_{3}=x_{4}$. Als nu $x_{1}=x_{3}$, dan zijn er drie elementen aan elkaar gelijk. Anders is $x_{1} \\neq x_{3}$, dus $x_{2}=x_{4}$ en ook dan zijn er drie elementen aan elkaar gelijk. Het viertal $\\left(x_{1}, x_{2}, x_{3}, x_{4}\\right)$ is dus op volgorde na van de vorm $(x, x, x, y)$, waarbij eventueel mag gelden dat $x=y$.\n\nDit invullen in de gegeven vergelijkingen geeft $x+y=8 x^{2}$ en $2 x=x^{2}+y^{2}+6 x y$. Tel deze twee vergelijkingen bij elkaar op: $3 x+y=9 x^{2}+y^{2}+6 x y$. De rechterkant is te ontbinden als $(3 x+y)^{2}$. Met $s=3 x+y$ staat er dus $s=s^{2}$, waaruit volgt $s=0$ of $s=1$. Er geldt $s=3 x+y=2 x+(x+y)=2 x+8 x^{2}$. Dus $8 x^{2}+2 x=0$ of $8 x^{2}+2 x=1$.\n\nIn het eerste geval geldt $x=0$ of $x=-\\frac{1}{4}$. We vinden $y=0-3 x=0$ respectievelijk $y=$ $0-3 x=\\frac{3}{4}$. In het tweede geval kunnen we de vergelijking ontbinden als $(4 x-1)(2 x+1)=0$, dus $x=\\frac{1}{4}$ of $x=-\\frac{1}{2}$. We vinden $y=1-3 x=\\frac{1}{4}$ respectievelijk $y=1-3 x=\\frac{5}{2}$.\n\nAlles bij elkaar hebben we de volgende viertallen gevonden: $(0,0,0,0),\\left(-\\frac{1}{4},-\\frac{1}{4},-\\frac{1}{4}, \\frac{3}{4}\\right)$ en de permutaties hiervan, $\\left(\\frac{1}{4}, \\frac{1}{4}, \\frac{1}{4}, \\frac{1}{4}\\right)$ en $\\left(-\\frac{1}{2},-\\frac{1}{2},-\\frac{1}{2}, \\frac{5}{2}\\right)$ en de permutaties hiervan. Controleren laat zien dat al deze viertallen voldoen.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2021-C2021_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 2.", "solution_match": "\nOplossing I."}} {"year": "2021", "tier": "T1", "problem_label": "2", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Vind alle viertallen $\\left(x_{1}, x_{2}, x_{3}, x_{4}\\right)$ van reële getallen zodat de volgende zes gelijkheden gelden:\n\n$$\n\\begin{aligned}\n& x_{1}+x_{2}=x_{3}^{2}+x_{4}^{2}+6 x_{3} x_{4}, \\\\\n& x_{1}+x_{3}=x_{2}^{2}+x_{4}^{2}+6 x_{2} x_{4}, \\\\\n& x_{1}+x_{4}=x_{2}^{2}+x_{3}^{2}+6 x_{2} x_{3}, \\\\\n& x_{2}+x_{3}=x_{1}^{2}+x_{4}^{2}+6 x_{1} x_{4}, \\\\\n& x_{2}+x_{4}=x_{1}^{2}+x_{3}^{2}+6 x_{1} x_{3}, \\\\\n& x_{3}+x_{4}=x_{1}^{2}+x_{2}^{2}+6 x_{1} x_{2} .\n\\end{aligned}\n$$", "solution": "Alle gelijkheden optellen geeft\n\n$$\n3\\left(x_{1}+x_{2}+x_{3}+x_{4}\\right)=3\\left(x_{1}^{2}+x_{2}^{2}+x_{3}^{2}+x_{4}^{2}\\right)+6\\left(x_{1} x_{2}+x_{1} x_{3}+x_{1} x_{4}+x_{2} x_{3}+x_{2} x_{4}+x_{3} x_{4}\\right) .\n$$\n\nDe rechterkant laat zich ontbinden als $3\\left(x_{1}+x_{2}+x_{3}+x_{4}\\right)^{2}$. Schrijf $s=x_{1}+x_{2}+x_{3}+x_{4}$, dan vinden we dus nu de vergelijking $3 s=3 s^{2}$ met oplossingen $s=0$ en $s=1$.\n\nZij $(i, j, k, l)$ een permutatie van $(1,2,3,4)$. Dan geldt\n\n$$\ns-\\left(x_{i}+x_{j}\\right)=x_{k}+x_{l}=x_{i}^{2}+x_{j}^{2}+6 x_{i} x_{j}\n$$\n\ndus\n\n$$\nx_{i}^{2}+x_{j}^{2}+6 x_{i} x_{j}+x_{i}+x_{j}-s=0 .\n$$\n\nVoor een vaste $j$ is dit een kwadratische vergelijking in $x_{i}$, met maximaal twee oplossingen. Bij een vaste $j$ kunnen we voor $i$ drie verschillende waarden kiezen, dus volgens het ladenprincipe zijn twee van die mogelijke $x_{i}$ gelijk aan elkaar. Voor elke $x_{j}$ geldt dus dat van $x_{i}, x_{k}$ en $x_{l}$ er twee gelijk aan elkaar zijn.\n\nIn het bijzonder zijn twee van $x_{2}, x_{3}$ en $x_{4}$ gelijk aan elkaar, zeg $x_{3}=x_{4}$. Nu nemen we $j=3$ en zien we dat van $x_{1}, x_{2}$ en $x_{4}$ er twee gelijk aan elkaar zijn. Als $x_{4}$ daarbij zit, hebben we drie gelijke elementen. Als $x_{4}$ er niet bij zit, geldt $x_{1}=x_{2}$ en $x_{3}=x_{4}$. Op volgorde na moeten de viertallen dus van de vorm $(x, x, x, y)$ of $(x, x, y, y)$ zijn. Vul nu in (1) $x_{i}=x$ en $x_{j}=x$ in. Dan staat er $8 x^{2}+2 x-s=0$. We gaan nu gevallen naar $s$ onderscheiden.\n\nStel dat $s=0$. Dan geldt er $8 x^{2}+2 x=0$, dus $x=0$ of $x=-\\frac{1}{4}$. Als $x=0$, dan zijn dus twee of drie van de elementen gelijk aan 0 . Verder weten we dat de som van de vier elementen nul moet zijn en dat als er nog twee elementen over zijn, die gelijke waarde moeten hebben. We zien dat alleen $(0,0,0,0)$ mogelijk is. Als $x=-\\frac{1}{4}$, dan vullen we $x$ en $y$ in in (1). Dat geeft $y^{2}+\\frac{1}{16}-\\frac{6}{4} y+y-\\frac{1}{4}=0$, oftewel $y^{2}-\\frac{1}{2} y-\\frac{3}{16}=0$. Dit kunnen we herschrijven als $\\left(y+\\frac{1}{4}\\right)\\left(y-\\frac{3}{4}\\right)=0$, dus $y=-\\frac{1}{4}$ of $y=\\frac{3}{4}$. Omdat de som van de vier elementen 0 moet zijn, kan (op volgorde na) alleen ( $-\\frac{1}{4},-\\frac{1}{4},-\\frac{1}{4}, \\frac{3}{4}$ ).\n\nStel dat $s=1$. Dan geldt er $8 x^{2}+2 x-1=0$, wat te schrijven is als $(4 x-1)(2 x+1)=0$, dus $x=\\frac{1}{4}$ of $x=-\\frac{1}{2}$. Als $x=\\frac{1}{4}$, dan vullen we $x$ en $y$ in in (1). Dat geeft $y^{2}+\\frac{1}{16}+\\frac{6}{4} y+y+\\frac{1}{4}-1=$ 0 , oftewel $y^{2}+\\frac{5}{2} y-\\frac{11}{16}=0$. Dit kunnen we herschrijven als $\\left(y-\\frac{1}{4}\\right)\\left(y+\\frac{11}{4}\\right)=0$, dus $y=\\frac{1}{4}$ of $y=-\\frac{11}{4}$. Omdat de som van de vier elementen 1 moet zijn, kan alleen $\\left(\\frac{1}{4}, \\frac{1}{4}, \\frac{1}{4}, \\frac{1}{4}\\right)$. Als $x=-\\frac{1}{2}$, dan vullen we $x$ en $y$ in in (1). Dat geeft $y^{2}+\\frac{1}{4}-3 y+y-\\frac{1}{2}-1=0$, oftewel $y^{2}-2 y-\\frac{5}{4}=0$. Dit kunnen we herschrijven als $\\left(y+\\frac{1}{2}\\right)\\left(y-\\frac{5}{2}\\right)=0$, dus $y=-\\frac{1}{2}$ of $y=\\frac{5}{2}$. Omdat de som van de vier elementen 1 moet zijn, kan (op volgorde na) alleen $\\left(-\\frac{1}{2},-\\frac{1}{2},-\\frac{1}{2}, \\frac{5}{2}\\right)$.\n\nAlles bij elkaar hebben we de volgende viertallen gevonden: $(0,0,0,0),\\left(-\\frac{1}{4},-\\frac{1}{4},-\\frac{1}{4}, \\frac{3}{4}\\right)$ en de permutaties hiervan, $\\left(\\frac{1}{4}, \\frac{1}{4}, \\frac{1}{4}, \\frac{1}{4}\\right)$ en $\\left(-\\frac{1}{2},-\\frac{1}{2},-\\frac{1}{2}, \\frac{5}{2}\\right)$ en de permutaties hiervan. Controleren laat zien dat al deze viertallen voldoen.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2021-C2021_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 2.", "solution_match": "\nOplossing II."}} {"year": "2021", "tier": "T1", "problem_label": "3", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Zij $A B C$ een scherphoekige en niet-gelijkbenige driehoek met hoogtepunt $H$. Zij $O$ het middelpunt van de omgeschreven cirkel van driehoek $A B C$ en zij $K$ het middelpunt van de omgeschreven cirkel van driehoek $A H O$. Bewijs dat de spiegeling van $K$ in $O H$ op $B C$ ligt.\n![](https://cdn.mathpix.com/cropped/2024_12_06_0148cef784a588e9d5cag-4.jpg?height=1140&width=1221&top_left_y=677&top_left_x=227)", "solution": "We bekijken de configuratie zoals in de figuur. Andere configuraties gaan analoog. Noem $D$ het tweede snijpunt van $A H$ met de omgeschreven cirkel van $\\triangle A B C$. Noem $S$ het tweede snijpunt van de omgeschreven cirkel van $A B C$ en de omgeschreven cirkel van $A H O$. (Omdat $\\triangle A B C$ scherphoekig is, liggen $O$ en $H$ inwendig in driehoek $A B C$ en dus ook in zijn omgeschreven cirkel, dus $D$ en $S$ bestaan allebei.)\n\nEr geldt\n\n$$\n\\angle O S H=\\angle O A H=\\angle O A D=\\angle O D A=\\angle O D H,\n$$\n\nwaarbij we gebruiken dat $|O A|=|O D|$. Verder geldt\n\n$$\n\\angle O H D=180^{\\circ}-\\angle O H A=180^{\\circ}-\\angle O S A=180^{\\circ}-\\angle O A S=\\angle O H S,\n$$\n\nwaarbij we gebruiken dat $|O A|=|O S|$. We concluderen nu dat $\\triangle O H S \\cong \\triangle O H D$ (ZHH). Hieruit volgt dat $D$ en $S$ elkaars gespiegelde in $O H$ zijn.\n\nAls we het middelpunt $K$ van de omgeschreven cirkel van $\\triangle O H S$ spiegelen in $O H$, krijgen we dus het middelpunt $L$ van de omgeschreven cirkel van $\\triangle O H D$. We moeten nu bewijzen dat $L$ op $B C$ ligt.\n\nPunt $D$ is de spiegeling van $H$ in $B C$. Dit is een bekend feit, dat we als volgt kunnen bewijzen: $\\angle D B C=\\angle D A C=\\angle H A C=90^{\\circ}-\\angle A C B=\\angle H B C$ en analoog is $\\angle D C B=\\angle H C B$, dus $\\triangle D B C \\cong \\triangle H B C(\\mathrm{HZH})$. Dus inderdaad is $D$ de spiegeling van $H$ in $B C$, waaruit volgt dat $B C$ de middelloodlijn van $H D$ is. Omdat $L$ op de middelloodlijn van $H D$ ligt, ligt $L$ op $B C$ en dat is wat we wilden bewijzen.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2021-C2021_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 3.", "solution_match": "\nOplossing."}} {"year": "2021", "tier": "T1", "problem_label": "4", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Op een rechthoekig bord met $m \\times n$ vakjes ( $m, n \\geq 3$ ) liggen domino's ( $2 \\times 1$ of $1 \\times 2$-tegels), die elkaar niet overlappen en niet uitsteken buiten het bord. Elke domino bedekt precies twee vakjes van het bord. Neem aan dat de bedekking met domino's de eigenschap heeft dat er geen enkele domino meer bijgeplaatst kan worden op het bord en dat de vier hoekvakjes van het bord niet allemaal leeg zijn. Bewijs dat minstens $\\frac{2}{3}$ van de vakjes van het bord bedekt zijn met domino's.", "solution": "Koppel elk leeg vakje aan de domino die direct rechts van dit vakje ligt (tenzij het vakje aan de rechterrand van het bord ligt). Stel dat er nu twee lege vakjes aan dezelfde domino gekoppeld worden, dan moet deze domino verticaal liggen en zijn beide vakjes links van hem leeg. Echter, dan zou er daar nog een extra domino passen, tegenspraak. Dus er worden geen twee lege vakjes aan dezelfde domino gekoppeld.\n\nDe lege vakjes aan de rechterrand van het bord zijn nog niet gekoppeld. We proberen deze vakjes elk te koppelen aan een domino die direct links van zich geen leeg vakje heeft (en dus nog niet gekoppeld was). Neem eerst even aan dat het lukt om alle lege vakjes van de rechterrand op deze manier te koppelen aan verschillende domino's. We hebben dan alle lege vakjes van het bord gekoppeld aan een domino, waarbij geen domino twee keer gebruikt wordt. Omdat elke domino twee vakjes van het bord bedekt, zijn er voor elk leeg vakje twee bedekte vakjes en is dus hooguit $\\frac{1}{3}$ van de vakjes van het bord leeg. Dan zijn we klaar.\n\nWe gaan nu laten zien dat deze koppeling altijd lukt. Noem $k$ het aantal lege vakjes aan de rechterrand en $\\ell$ het aantal lege vakjes aan de linkerrand. De lege vakjes aan de linkerrand mogen niet naast elkaar liggen, dus liggen er minstens $\\ell-1$ domino's aan de linkerrand en deze hebben allemaal geen leeg vakje links van zich. Als $\\ell>k$, dan liggen er dus genoeg domino's aan de linkerrand liggen om alle lege vakjes van de rechterrand te koppelen. Als $\\ell