{"year": "2022", "tier": "T1", "problem_label": "1", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "In een scherphoekige driehoek $A B C$ geldt $|A B|>|C A|>|B C|$. De punten $D, E$ en $F$ zijn de voetpunten van de hoogtelijnen vanuit respectievelijk $A, B$ en $C$. De lijn door $F$ evenwijdig aan $D E$ snijdt $B C$ in $M$. De bissectrice van $\\angle M F E$ snijdt $D E$ in $N$. Bewijs dat $F$ het middelpunt van de omgeschreven cirkel van $\\triangle D M N$ is dan en slechts dan als $B$ het middelpunt van de omgeschreven cirkel van $\\triangle F M N$ is.", "solution": "![](https://cdn.mathpix.com/cropped/2024_12_06_51e02067c53ffb49782cg-1.jpg?height=994&width=1188&top_left_y=1319&top_left_x=254)\n\nVanwege de lengte-eis in de opgave ligt de configuratie vast: $M$ ligt op de halfrechte $C B$ voorbij $B$, en $N$ ligt op de halfrechte $E D$ voorbij $D$. Zie de figuur. Noem $\\alpha=\\angle B A C$ en $\\beta=\\angle A B C$. Noem verder $H$ het hoogtepunt van de driehoek (oftewel het snijpunt\nvan $A D, B E$ en $C F)$. Wegens Thales zijn $A F H E, B D H F, C E H D, A B D E, B C E F$ en $C A F D$ koordenvierhoeken. Vanwege koordenvierhoek $A B D E$ is $\\angle C E D=180^{\\circ}-$ $\\angle A E D=\\angle A B D=\\beta$ en vanwege koordenvierhoek $B C E F$ is $\\angle A E F=180^{\\circ}-\\angle C E F=$ $\\angle C B F=\\beta$. Analoog zijn $\\angle C D E$ en $\\angle B D F$ gelijk aan $\\alpha$.\n\nUit $\\angle C E D=\\beta=\\angle A E F$ volgt $\\angle D E H=90^{\\circ}-\\beta=\\angle F E H$. Dus $E H$ is de bissectrice van $\\angle D E F$. Vanwege $D E \\| F M$ geldt wegens U-hoeken verder $\\angle M F E=180^{\\circ}-\\angle F E D=$ $180^{\\circ}-2\\left(90^{\\circ}-\\beta\\right)=2 \\beta$. Aangezien $F N$ de bissectrice van $\\angle M F E$ is, is $\\angle E F N=\\frac{1}{2} \\cdot 2 \\beta=\\beta$. Vanwege $\\angle F E H=90^{\\circ}-\\beta$ zien we nu ook dat $F N$ en $E H$ loodrecht op elkaar staan, dus $E H$ is niet alleen bissectrice in $\\triangle F E N$ maar ook hoogtelijn. Deze lijn is daarmee ook de middelloodlijn van $F N$. Omdat $B$ op deze lijn ligt, geldt $|B F|=|B N|$.\n\nWe hebben eerder gezien dat $\\angle C D E=\\alpha=\\angle B D F$. Vanwege $D E \\| F M$ geldt ook $\\angle B M F=\\angle C D E=\\alpha$, dus $\\angle D M F=\\angle B M F=\\angle B D F=\\angle M D F$. Dus $|F M|=|F D|$.\n\nNoem $S$ het snijpunt van $A C$ en $M F$. Dan is $\\angle B F M=\\angle A F S$ en wegens $D E \\| F M$ is $\\angle C E D=\\angle C S F$. Met de buitenhoekstelling in driehoek $A F S$ zien we bovendien $\\angle C S F=$ $\\angle S A F+\\angle A F S=\\alpha+\\angle A F S$. Als we dit alles combineren, vinden we $\\angle C E D=\\alpha+$ $\\angle B F M$. Anderzijds wisten we dat $\\angle C E D=\\beta$, dus $\\angle B F M=\\beta-\\alpha$. We weten daarnaast dat $\\angle B M F=\\alpha$. We concluderen dat $|B F|=|B M|$ dan en slechts dan als $\\beta-\\alpha=\\alpha$ oftewel dan en slechts dan als $\\beta=2 \\alpha$. Omdat we al weten dat $|B F|=|B N|$ geldt nu: $B$ is het middelpunt van de omgeschreven cirkel van $\\triangle F M N$ dan en slechts dan als $\\beta=2 \\alpha$.\n\nWe hebben eerder gezien dat $E H$ de bissectrice en hoogtelijn in driehoek $E F N$ is, dus deze driehoek is gelijkbenig met top $E$, waaruit volgt dat $\\angle D N F=\\angle E N F=\\angle E F N=\\beta$. Verder weten we dat $\\angle C D E=\\alpha=\\angle B D F$, waaruit volgt dat $\\angle N D F=\\angle N D B+$ $\\angle B D F=\\angle C D E+\\angle B D F=2 \\alpha$. Dus $|F D|=|F N|$ dan en slechts dan als $\\beta=2 \\alpha$. Omdat we ook al wisten dat $|F M|=|F D|$, geldt nu: $F$ is het middelpunt van de omgeschreven cirkel van $\\triangle D M N$ dan en slechts dan als $\\beta=2 \\alpha$.\n\nWe concluderen dat $F$ het middelpunt van de omgeschreven cirkel van $\\triangle D M N$ is dan en slechts dan als $B$ het middelpunt van de omgeschreven cirkel van $\\triangle F M N$ is, omdat beide eigenschappen equivalent zijn met $\\beta=2 \\alpha$.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2022-D2022_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 1.", "solution_match": "\nOplossing."}} {"year": "2022", "tier": "T1", "problem_label": "2", "problem_type": null, "exam": "Dutch_TST", "problem": "Zij $n$ een positief geheel getal. Voor een reëel getal $x \\geq 1$ geldt dat $\\left\\lfloor x^{n+1}\\right\\rfloor$, $\\left\\lfloor x^{n+2}\\right\\rfloor, \\ldots,\\left\\lfloor x^{4 n}\\right\\rfloor$ allemaal kwadraten van positieve gehele getallen zijn. Bewijs dat $\\lfloor x\\rfloor$ ook het kwadraat van een positief geheel getal is.\nMet $\\lfloor z\\rfloor$ bedoelen we het grootste gehele getal kleiner dan of gelijk aan z.", "solution": "We bewijzen dit eerst voor $n=1$. Schrijf $x=a+r$, met $a \\geq 1$ geheel en $0 \\leq r<1$. Stel $\\left\\lfloor x^{2}\\right\\rfloor$, $\\left\\lfloor x^{3}\\right\\rfloor$ en $\\left\\lfloor x^{4}\\right\\rfloor$ zijn kwadraten. Er geldt dus $a \\leq x1$ een kwadraat nemen we ook $k=15$ en dezelfde rij als hierboven, maar dan met alle getallen vermenigvuldigd met $d$. Twee buurgetallen in die rij zijn dan altijd $9 d, 16 d$ of $25 d$ en dat zijn allemaal kwadraten.\n\nBekijk nu een $d$ die geen kwadraat is. We gaan laten zien dat deze niet voldoet. Stel dat er toch zo'n $k$ bestaat met bijbehorende rij $a_{1} d, a_{2} d, \\ldots, a_{k} d$, waarbij $\\left\\{a_{1}, a_{2}, \\ldots, a_{k}\\right\\}=$ $\\{1,2, \\ldots, k\\}$. Schrijf $d=c m^{2}$ met $m$ positief geheel en maximaal, zodat $c$ niet deelbaar is door een kwadraat groter dan 1 . Er geldt voor alle $i$ met $1 \\leq i \\leq k-1$ dat $a_{i} d+a_{i+1} d$ een kwadraat is en $d=c m^{2} \\mid a_{i} d+a_{i+1} d$, dus $c d=c^{2} m^{2} \\mid a_{i} d+a_{i+1} d$, waaruit volgt dat $c \\mid a_{i}+a_{i+1}$. Hieruit volgt $a_{i+1} \\equiv-a_{i} \\bmod c$ en dus $a_{i+2} \\equiv-a_{i+1} \\equiv a_{i} \\bmod c$. Er komen dus maximaal twee verschillende restklassen modulo $c$ voor bij de $a_{i}$, namelijk die van $a_{1}$ en die van $a_{2}$. Maar $\\left\\{a_{1}, a_{2}, \\ldots, a_{k}\\right\\}=\\{1,2, \\ldots, k\\}$ en $k \\geq 3$, dus kennelijk is $c \\leq 2$. Omdat $d$ geen kwadraat is, kan $c=1$ niet, dus geldt $c=2$. Maar dan is $a_{i+1} \\equiv-a_{i} \\equiv a_{i} \\bmod 2$ dus komt er maar één restklasse modulo 2 in de rij voor. Tegenspraak.\n\nWe concluderen dat de $d$ die voldoen precies de kwadraten zijn.", "metadata": {"resource_path": "Dutch_TST/segmented/nl-2022-D2022_uitwerkingen.jsonl", "problem_match": "\nOpgave 4.", "solution_match": "\nOplossing."}}