Uitwerkingen toets 9 juni 2010
Opgave 1. Zij $A B C$ een scherphoekige driehoek met de eigenschap $\angle B A C=45^{\circ}$. Zij $D$ het voetpunt van de loodlijn vanuit $C$ op $A B$. Zij $P$ een inwendig punt van het lijnstuk $C D$. Bewijs dat de lijnen $A P$ en $B C$ loodrecht op elkaar staan dan en slechts dan als $|A P|=|B C|$.
Oplossing. Zij $E$ het snijpunt van $A P$ en $B C$. Merk op dat $\angle D C A=90^{\circ}-\angle C A D=$ $90^{\circ}-\angle C A B=45^{\circ}$, dus $\triangle A C D$ is gelijkbenig: $|A D|=|C D|$. Stel nu dat $|A P|=|B C|$. Omdat $\angle A D P=90^{\circ}=\angle C D B$, geldt $\triangle A D P \cong \triangle C D B$ wegens (ZZR). Dus $\angle A P D=\angle C B D$, waaruit volgt
dus $A P$ staat loodrecht op $B C$. Stel andersom dat $A P$ loodrecht op $B C$ staat, oftewel $\angle C E P=90^{\circ}$. Dan geldt
Omdat ook $\angle A D P=90^{\circ}=\angle C D B$, volgt nu met $(\mathrm{ZHH})$ dat $\triangle A D P \cong \triangle C D B$. Dus $|A P|=|B C|$.
Opgave 2. Laat $A$ en $B$ positieve gehele getallen zijn. Definieer de rekenkundige rij $a_{0}, a_{1}, a_{2}, \ldots$ door $a_{n}=A n+B$. Neem aan dat er minstens één $n \geq 0$ is zodat $a_{n}$ een kwadraat is. $\mathrm{Zij} M$ een positief geheel getal zodat $M^{2}$ het kleinste kwadraat in de rij is. Bewijs dat $M<A+\sqrt{B}$.
Oplossing. Als $M \leq A$, dan zeker $M<A+\sqrt{B}$, dus zijn we klaar. Als $M>A$, zij dan $k$ zodat $a_{k}=M^{2}$. Dan geldt dus $A k+B=M^{2}$. Omdat $0<M-A<$ $M$, is $(M-A)^{2}$ kleiner dan $M^{2}$. Er geldt $(M-A)^{2}=M^{2}-2 M A+A^{2}=M^{2}-A(2 M-A)$. Als $k-(2 M-A) \geq 0$, dan is $a_{k-(2 M-A)}=A(k-(2 M-A))+B=(A k+B)-2 M A+A^{2}=M^{2}-2 M A+A^{2}=(M-A)^{2}$. Maar dan is $M^{2}$ niet het kleinste kwadraat in de rij, tegenspraak. Dus geldt $k-(2 M-A)<$ 0 . Hieruit volgt $A(k-(2 M-A))+B<B$, oftewel $(M-A)^{2}<B$. Omdat $M-A$ positief is, mogen we concluderen dat $M-A<\sqrt{B}$, oftewel $M<A+\sqrt{B}$.
Opgave 3. Zij $n \geq 2$ een positief geheel getal en $p$ een priemgetal zodat $n \mid p-1$ en $p \mid n^{3}-1$. Bewijs dat $4 p-3$ een kwadraat is.
Oplossing I. Uit $n \mid p-1$ volgt $n<p$. Omdat $p$ priem is, is $p$ een deler van één van de twee factoren van $n^{3}-1=(n-1)\left(n^{2}+n+1\right)$, maar $p$ is te groot om een deler van $n-1>0$ te zijn. Dus $p \mid n^{2}+n+1$. Wegens $n \mid p-1$ kunnen we $p$ schrijven als $k n+1$, met $k$ een positief geheel getal. Uit $k n+1 \mid n^{2}+n+1$ volgt
We onderscheiden nu drie gevallen. Geval 1: $k>n+1$. Dan is $k-n-1$ positief en moet gelden $k n+1 \leq k-n-1$. Daaruit volgt $(k+1) n \leq k-2$, maar links staat nu iets dat duidelijk groter is dan wat er rechts staat. Dit geval kan dus niet. Geval 2: $k<n+1$. Dan is $k-n-1$ negatief en moet gelden $k n+1 \leq n+1-k$. Daaruit volgt $(k-1) n \leq-k$, maar links staat nu iets niet-negatiefs en rechts iets negatiefs. Dit geval kan dus ook niet. Geval 3: $k=n+1$. Nu geldt $p=(n+1) n+1=n^{2}+n+1$. Dus $4 p-3=4 n^{2}+4 n+1=$ $(2 n+1)^{2}$ en dit is een kwadraat. We concluderen dat in het enige mogelijke geval $4 p-3$ een kwadraat is.
Oplossing II. Zoals in de eerste oplossing laten we zien dat $p \mid n^{2}+n+1$. Als $p=n^{2}+n+1$, dan geldt $4 p-3=4 n^{2}+4 n+1=(2 n+1)^{2}$ en dit is een kwadraat. Stel nu dat $p \neq n^{2}+n+1$. Dan is er een geheel getal $m>1$ zodat $p m=n^{2}+n+1$. Modulo $n$ staat hier $p m \equiv 1$ $\bmod n$. Uit $n \mid p-1$ volgt dat $p \equiv 1 \bmod n$, dus we krijgen $m \equiv 1 \bmod n$. Dus $p$ en $m$ zijn beide minstens $n+1$. Echter, $(n+1)^{2}=n^{2}+2 n+1>n^{2}+n+1=p m$, tegenspraak.
Opgave 4. Zij $A B C D$ een koordenvierhoek met de eigenschap dat $\angle A B D=\angle D B C$. Zij $E$ het snijpunt van de diagonalen $A C$ en $B D$. Zij $M$ het midden van $A E$ en $N$ het midden van $D C$. Bewijs dat $M B C N$ een koordenvierhoek is.
Oplossing I. Omdat $A B C D$ een koordenvierhoek is, weten we dat $\angle B D C=\angle B A C=$ $\angle B A E$. Daarnaast volgt uit het gegeven dat $\angle C B D=\angle E B A$. Samen geeft dit $\triangle D C B \sim$ $\triangle A E B$ (hh). We gaan nu bewijzen dat hieruit volgt $\triangle N C B \sim \triangle M E B$. Allereerst vinden we dat $\angle N C B=\angle D C B=\angle A E B=\angle M E B$. Verder zien we dat $\frac{|N C|}{|M E|}=$ $\frac{2|N C|}{2|M E|}=\frac{|D C|}{|A E|}=\frac{|C B|}{|E B|}$. Met (zhz) concluderen we dat inderdaad $\triangle N C B \sim \triangle M E B$. Dus $\angle B M C=\angle B M E=\angle B N C$, waaruit volgt dat $M B C N$ een koordenvierhoek is.
Oplossing II. Net als in de eerste oplossing leiden we af dat $\triangle D C B \sim \triangle A E B$. Merk nu op dat de lijnen $B M$ en $B N$ zwaartelijnen in deze twee gelijkvormige driehoeken zijn. Daaruit volgt dat de corresponderende hoeken $\angle B M E$ en $\angle B N C$ even groot zijn. Dus $\angle B M C=\angle B M E=\angle B N C$, waaruit volgt dat $M B C N$ een koordenvierhoek is.
Oplossing III. Zij $K$ het midden van $D E$. Nu is $M K$ een middenparallel in driehoek $E A D$ evenwijdig aan $A D$, dus $\angle M K B=\angle M K E=\angle A D E=\angle A D B$. In koordenvierhoek $A B C D$ zien we $\angle A D B=\angle A C B=\angle M C B$, dus $\angle M K B=\angle M C B$, waaruit volgt dat $M K C B$ een koordenvierhoek is. Verder is $K N$ een middenparallel in driehoek $C E D$ evenwijdig aan $C E$, dus $180^{\circ}-$ $\angle K N C=\angle K N D=\angle E C D=\angle A C D$. Vanwege koordenvierhoek $A B C D$ geldt $\angle A C D=$ $\angle A B D$ en volgens het gegeven is dit gelijk aan $\angle D B C$. Dus $180^{\circ}-\angle K N C=\angle D B C=$ $\angle K B C$. Hieruit volgt dat $K N C B$ een koordenvierhoek is. We concluderen dat zowel $M$ als $N$ op de omgeschreven cirkel van driehoek $B C K$ liggen. Dus $M B C N$ is een koordenvierhoek.
Opgave 5. Vind alle drietallen $(x, y, z)$ van reële (maar niet noodzakelijk positieve) getallen die voldoen aan
Oplossing. We gaan laten zien dat voor reële getallen $x, y$ en $z$ die aan de eerste voorwaarde voldoen, geldt
De oplossingen die we zoeken, zijn dus de gelijkheidsgevallen van deze ongelijkheid. Laat $a, b$ en $c$ reële getallen zijn. Er geldt $(a-b)^{2} \geq 0$, dus $\frac{a^{2}+b^{2}}{2} \geq a b$ met gelijkheid d.e.s.d.a. $a=b$. Dit doen we analoog voor $b$ en $c$ en voor $c$ en $a$, zodat opgeteld volgt dat
met gelijkheid d.e.s.d.a. $a=b=c$. Passen we dit toe op $(x y, y z, z x)$, dan vinden we dat
met gelijkheid d.e.s.d.a. $x y=y z=z x$. Door het ook toe te passen op $(x, y, z)$ vinden we $x^{2}+y^{2}+z^{2} \geq x y+y z+z x$, dus volgens de eerste eis geldt $1=3\left(x^{2}+y^{2}+z^{2}\right)=\left(x^{2}+y^{2}+z^{2}\right)+2\left(x^{2}+y^{2}+z^{2}\right) \geq x^{2}+y^{2}+z^{2}+2 x y+2 y z+2 z x=(x+y+z)^{2}$, met gelijkheid d.e.s.d.a. $x=y=z$. We willen nu deze twee ongelijkheden,
en
met elkaar combineren. Hiervoor vermenigvuldigen we eerst (3) met de niet-negatieve factor $x^{2} y^{2}+y^{2} z^{2}+z^{2} x^{2}$; dan krijgen we
met gelijkheid d.e.s.d.a. $x=y=z$ of $x^{2} y^{2}+y^{2} z^{2}+z^{2} x^{2}=0$. Verder vermenigvuldigen (2) met de niet-negatieve factor $(x+y+z)^{2}$, waaruit volgt
met gelijkheid d.e.s.d.a. $x y=y z=z x$ of $x+y+z=0$. Al met al vinden we $\left(x^{2} y^{2}+y^{2} z^{2}+z^{2} x^{2}\right) \cdot 1 \geq\left(x^{2} y^{2}+y^{2} z^{2}+z^{2} x^{2}\right) \cdot(x+y+z)^{2} \geq x y z(x+y+z) \cdot(x+y+z)^{2}$, oftewel (1), met gelijkheid d.e.s.d.a.
Nu zegt de tweede vergelijking dat hier inderdaad gelijkheid moet gelden, dus we zitten in het zojuist beschreven gelijkheidsgeval. Daarnaast zegt de eerste eis nog steeds dat $3\left(x^{2}+y^{2}+z^{2}\right)=1:$
We onderscheiden twee gevallen. Stel eerst $x=y=z$. Dan wordt automatisch voldaan aan $x y=y z=z x$. We vinden met behulp van de eerste eis dat $1=3\left(x^{2}+y^{2}+z^{2}\right)=$ $9 x^{2}=(3 x)^{2}$, dus $x=y=z= \pm \frac{1}{3}$. Stel nu dat $x^{2} y^{2}+y^{2} z^{2}+z^{2} x^{2}=0$; dan moet wel elk van de termen nul zijn, dus $x y=y z=z x=0$, dus ook nu wordt voldaan aan $x y=y z=z x$. Uit $x y=0$ volgt dat (z.b.d.a.) $x=0$. Uit $y z=0$ ook z.b.d.a. dat $y=0$. Zo vinden we de oplossingen $\left(0,0, \pm \frac{1}{3} \sqrt{3}\right)$ en daarnaast ook $\left(0, \pm \frac{1}{3} \sqrt{3}, 0\right)$ en $\left( \pm \frac{1}{3} \sqrt{3}, 0,0\right)$.
Opmerking. Als je (2) en (3) hebt bewezen, kun je (1) ook vinden door (3) te vermenigvuldigen met $x y z(x+y+z)$. Hiervoor moet je dan wel aantonen dat $x y z(x+y+z)$ niet-negatief is. We weten vanwege de tweede eis in de opgave dat $x y z(x+y+z)^{3}$ gelijk is aan een som van kwadraten en dus niet-negatief. Als $x+y+z \neq 0$, volgt hieruit $x y z(x+y+z) \geq 0$. Als $x+y+z=0$, dan geldt $x y z(x+y+z)=0$. Dus in beide gevallen geldt $x y z(x+y+z) \geq 0$. Het gelijkheidsgeval wordt bij deze methode: